Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 maart 2018 in de zaak tussen
[naam] , eiser, en
[naam 2],
Rechtbank Den Haag
Eisers, koptische christenen uit Egypte, vroegen asiel aan op grond van bedreigingen en huwelijksdwang door een islamitische vrouw en haar familie. Verweerder wees de aanvragen af wegens ongeloofwaardigheid van het relaas en het ontbreken van een reëel risico bij terugkeer.
De rechtbank bevestigt dat het huwelijksdwangverhaal weinig aannemelijk is, mede vanwege tegenstrijdige verklaringen en het ontbreken van bewijs zoals een aangifte van brandstichting. Ook blijkt uit bankafschriften en verklaringen dat de onderduikperiode niet aannemelijk is.
Verder oordeelt de rechtbank dat koptische christenen in Egypte, met name in de woonplaats van eisers, geen kwetsbare minderheid vormen die een reëel risico op vervolging lopen. Het beroep op het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind wordt verworpen wegens gebrek aan aannemelijkheid.
Ten aanzien van het medische uitstel van vertrek vindt de rechtbank het BMA-advies zorgvuldig en onvoldoende onderbouwd dat noodzakelijke behandeling in Egypte niet beschikbaar of toegankelijk is. Eisers leveren geen bewijs van ontoegankelijkheid of onbetaalbaarheid van medische zorg.
De beroepen worden ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank wijst de asielaanvragen af wegens ongeloofwaardig relaas en geen reëel risico voor koptische christenen; ook wordt geen uitstel van vertrek verleend.