Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
ProcesverloopBij besluit van 30 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Overwegingen
1bekend is over de situatie in Eritrea. De stelling van eiseres dat de grenscontrole door een andere eenheid van de Eritrese autoriteiten dan de voor deserteurs verantwoordelijke eenheid wordt uitgevoerd en dat de autoriteiten in Eritrea minder (technologisch) geavanceerd te werk gaan maakt het voorgaande niet anders, omdat eiseres deze stelling niet heeft onderbouwd. Daarbij komt dat uit de ambtsberichten blijkt dat het relatief moeilijk is voor gewone Eritreeërs om Eritrea op legale wijze te verlaten. De beroepsgrond slaagt niet.
2is overwogen dat, nu ervan moest worden uitgegaan dat de termijn van het Eritrees uitreisvisum was overschreden en het ambtsbericht geen duidelijkheid bood of en op welke wijze in zodanig geval de Eritrese autoriteiten een vreemdeling bij terugkeer in Eritrea ondervragen over het verblijf buiten dat land, verweerder zich niet zonder meer op het standpunt mocht stellen dat de desbetreffende vreemdeling vrijwillig kon terugkeren naar Eritrea zonder een reëel risico te lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. In de uitspraak van 6 juli 2017
3heeft de ABRvS overwogen dat het AAB 2017 geen aanleiding geeft om aan te nemen dat de situatie wezenlijk anders is dan de situatie die voorlag in de hiervoor genoemde uitspraken. Het AAB van juni 2018 laat naar het oordeel van de rechtbank ook geen ander beeld zien en tot op heden heeft verweerder geen aanleiding gezien het landgebonden beleid over Eritrea aan te passen. Dit beleid houdt, voor zover van belang, in dat uitsluitend een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw wordt verleend aan de Eritrese vreemdeling die Eritrea op legale wijze (met geldig document voor grensoverschrijding en uitreisvisum) heeft verlaten, als de vreemdeling individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht die aannemelijk maken dat hij bij terugkeer wordt blootgesteld aan ernstige schade. Hiervan kan sprake zijn als de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aanmerkelijk langer in het buitenland heeft verbleven dan was beoogd voor het doel waarvoor de Eritrese autoriteiten een uitreisvisum hebben afgegeven.
4De rechtbank stelt vast dat de op het visum vermelde geldigheidsperiode 30 dagen bedroeg. Verweerder heeft toegelicht dat het uitreisvisum moet worden beschouwd als een toestemming van de Eritrese autoriteiten om binnen 30 dagen uit te reizen en dat terugkeer te allen tijde mogelijk is. De rechtbank begrijpt dat verweerder hiermee betoogt dat geen sprake is van een overschrijding van de 30 dagen-termijn in het uitreisvisum. Dit betoog slaagt echter niet, omdat deze uitleg van het uitreisvisum niet strookt met voornoemd beleid en de aangehaalde jurisprudentie. Gelet hierop moet het er voor worden gehouden dat de termijn van het uitreisvisum is overschreden. Eiseres verbleef ten tijde van de zitting immers ruim 7,5 maand buiten Eritrea en derhalve aanmerkelijk langer dan voornoemde periode van 30 dagen.