Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
AWB 18/424 (voorlopige voorziening)
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, verblijft sinds zijn tweede levensjaar rechtmatig in Nederland. Na meerdere veroordelingen besloot de staatssecretaris tot intrekking van zijn verblijfsvergunning met terugwerkende kracht vanaf 1996, hetgeen werd bestreden door eiser.
De rechtbank oordeelt dat de intrekking met terugwerkende kracht in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, mede omdat eiser in 2010 en 2014 expliciet is meegedeeld dat zijn vergunning niet kon worden ingetrokken volgens toen geldende regelgeving. De rechtbank stelt vast dat de nieuwe regelgeving pas van toepassing is sinds het laatste misdrijf in 2015, en dat eiser op dat moment meer dan tien jaar rechtmatig verbleef.
Op grond van artikel 3.86, tiende lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, kan bij een verblijfsduur van meer dan tien jaar de vergunning niet worden ingetrokken tenzij sprake is van ernstige misdrijven, wat hier niet het geval is. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning en herroept het primaire besluit wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.