ECLI:NL:RBDHA:2018:1544

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 februari 2018
Publicatiedatum
14 februari 2018
Zaaknummer
NL17.13030
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a VwArt. 28 VwArt. 33 ProcedurerichtlijnArt. 29 lid 1 sub b onderdeel 3 Vw
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet-ontvankelijkheid opvolgende asielaanvraag wegens ontbreken nieuwe elementen over veiligheidssituatie Libië

Eiser, een Libische nationaliteit dragende persoon, diende een vijfde opvolgende asielaanvraag in, stellende dat de veiligheidssituatie in Libië verslechterd is en dat persoonlijke familieomstandigheden zijn veranderd. Verweerder verklaarde de aanvraag niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a lid 1 sub d Vreemdelingenwet 2000, omdat er geen nieuwe elementen of bevindingen (nova) werden aangevoerd.

De rechtbank oordeelde dat de dood van eisers neven en de situatie van andere familieleden geen nieuwe elementen vormen, omdat deze reeds in eerdere procedures waren beoordeeld. De algemene veiligheidssituatie in Libië, waaronder Tripoli, was recentelijk door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beoordeeld en gaf geen wezenlijk ander beeld dan in eerdere uitspraken.

Eisers stelling dat hij geen sociaal netwerk meer heeft in Libië werd ook niet als novum aangemerkt, omdat tijdsverloop onvoldoende onderbouwing bood en niet strookte met eerdere verklaringen. De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht de aanvraag niet-ontvankelijk heeft verklaard en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de niet-ontvankelijkheid van de opvolgende asielaanvraag wegens het ontbreken van nieuwe elementen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL17.13030
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 2 februari 2018 in de zaak tussen

[naam] , eiser,

(gemachtigde: mr. J.M. Walls),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.J.F.M. van Raak).

Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de opvolgende asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.13031 (verzoek voorlopige voorziening), plaatsgevonden op 7 december 2017. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Ter zitting is de voorlopige voorziening toegewezen en het onderzoek voor wat betreft het beroep aangehouden in afwachting van de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) inzake de algemene veiligheidssituatie in Libië. Eiser en verweerder zijn in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten.
Vervolgens hebben eiser en verweerder zich akkoord verklaard met verdere afdoening van de zaak buiten zitting. Daarop is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Libische nationaliteit. Op 14 november 2017 heeft eiser een (vijfde) opvolgende aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De afwijzingen van de voorgaande vier asielaanvragen staan alle in rechte vast.
2. Eiser heeft aan deze nieuwe aanvraag ten grondslag gelegd dat de algemene veiligheidssituatie in Libië is verslechterd. Daarnaast heeft eiser gewezen op de dood van zijn neven en de situatie van andere familieleden in Libië.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen (nova).
4. Op wat eiser hiertegen heeft aangevoerd wordt hieronder ingegaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5.
Ingevolge artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van Pro deze wet niet-ontvankelijk worden verklaard in de zin van artikel 33 van Pro de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling een opvolgende aanvraag heeft ingediend waaraan door hem geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag zijn gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag.
6. De rechtbank stelt vast dat er geen beroepsgronden zijn gericht tegen het standpunt van verweerder dat de dood van eisers neven en de situatie van zijn overige familieleden geen nova zijn, omdat deze omstandigheden al zijn beoordeeld in eiser vorige asielprocedure. In geschil is of verweerder terecht heeft bepaald dat de algemene veiligheidssituatie in Libië niet als novum is aan te merken.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op dit standpunt heeft gesteld. In vier recente uitspraken van de Afdeling (zie onder meer de uitspraken van 4 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1 en ECLI:NL:RVS:2018:2) is geoordeeld over de algemene veiligheidssituatie in Libië. In laatstgenoemde uitspraak was in het bijzonder de veiligheidssituatie in Tripoli aan de orde, waar eiser vandaan komt. De Afdeling heeft geoordeeld dat de stukken over de veiligheidssituatie in Libië geen wezenlijk ander beeld geven van de veiligheidssituatie dan ten tijde van haar vorige uitspraak op 20 juli 2016. Van een uitzonderlijke situatie in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw is volgens de Afdeling geen sprake.
8. Eisers stelling in beroep dat aannemelijk is dat hij geen sociaal netwerk meer heeft in Libië omdat hij al sinds 2009 in Nederland bescherming zoekt, kan evenmin als novum worden aangemerkt. Het enkele tijdsverloop is onvoldoende onderbouwing van deze stelling en bovendien strookt deze niet met eisers verklaringen tijdens de eerdere procedures.
9. De slotsom is dat verweerder de opvolgende aanvraag van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S. van der Hell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2018.
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.