ECLI:NL:RBDHA:2018:12284

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 september 2018
Publicatiedatum
15 oktober 2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 425
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Vw 2000Art. 20 VWEUArt. 16 VerblijfsrichtlijnArt. 8 Vw 2000Art. 8.7 Vb 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroepen duurzaam verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU

Eiseressen, een moeder en haar dochter, vorderen duurzaam verblijfsrecht op grond van artikel 9, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, gebaseerd op een afgeleid verblijfsrecht uit artikel 20 van Pro het VWEU. Zij beroepen zich op het arrest Chavez-Vilchez van het HvJEU en stellen dat dit verblijfsrecht met terugwerkende kracht vanaf 2009 geldt.

Verweerder wijst deze beroepen af en stelt dat het afgeleide verblijfsrecht niet kan worden aangemerkt als rechtmatig verblijf dat leidt tot duurzaam verblijf en dat terugwerkende vaststelling wettelijk niet mogelijk is. De rechtbank volgt verweerder en verwijst naar eerdere jurisprudentie, waaronder een uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2018.

De rechtbank oordeelt dat het verblijfsrecht uit artikel 20 VWEU Pro niet gelijkgesteld kan worden met het verblijfsrecht uit artikel 21 VWEU Pro, waarop de Verblijfsrichtlijn van toepassing is. Het afgeleide verblijfsrecht is beperkt tot de verzorgende ouder van een minderjarig kind en kan niet worden uitgebreid naar andere familieleden zoals de zus van de minderjarige.

Daarbij is vastgesteld dat eiseressen geen procesbelang hebben omdat zij niet in een gunstigere positie kunnen komen dan hun huidige verblijfsrecht toestaat. De beroepen worden daarom niet-ontvankelijk verklaard. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De beroepen van eiseressen worden niet-ontvankelijk verklaard omdat het afgeleide verblijfsrecht geen duurzaam verblijf oplevert en terugwerkende vaststelling niet mogelijk is.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 16/2514, AWB 18/425 en AWB 18/426
[V-nummers:]
uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 28 september 2018 in de zaken tussen

[eiseres 1] ,

geboren op [geboortedatum 1] ,
hierna: eiseres,
en haar minderjarige kind
[eiseres 2],
geboren op [geboortedatum 2] ,
hierna: [eiseres 2]
beiden van Surinaamse nationaliteit,
hierna gezamenlijk: eiseressen
(gemachtigde: mr. R. Heringa),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. de Boo).

Procesverloop

In de zaak AWB 16/2514
Bij besluit van 3 december 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder met betrekking tot [eiseres 2] de aanvraag van 8 mei 2015 tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000, waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 15 januari 2017 (het bestreden besluit I) ongegrond verklaard.
Op 19 januari 2018 heeft de rechtbank het beroepschrift van [eiseres 2] tegen dit besluit ontvangen.
De rechtbank heeft de zaak voor onbepaalde tijd aangehouden om de beantwoording af te wachten door het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van de gestelde prejudiciële vragen over de uitleg van artikel 20 van Pro het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU). Op 10 mei 2017 heeft het HvJEU deze vragen beantwoord in het arrest Chavez-Vilchez e.a. [1] , waarna partijen in de gelegenheid zijn gesteld hierop te reageren.
Namens [eiseres 2] zijn op 20 oktober 2017 nadere gronden ingediend. Verweerder heeft op
25 oktober 2017 meegedeeld dat het arrest Chavez-Vilchez geen aanleiding vormt het bestreden besluit te herzien. Vervolgens zijn namens [eiseres 2] op 25 januari 2018 aanvullende gronden ingediend.
In de zaken AWB 18/425 en AWB 18/426
Bij besluiten van 27 september 2017 (de primaire besluiten II en III) heeft verweerder de aanvragen van eiseressen van 29 mei 2017 tot afgifte van een document ‘duurzaam verblijf burgers van de Unie’ afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluiten van
15 januari 2017 (de bestreden besluiten II en III) ongegrond verklaard.
Op 19 januari 2018 heeft de rechtbank de beroepschriften van eiseressen ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
In alle zaken
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2018. Eiseressen zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was namens verweerder ter zitting aanwezig mr. J.M.K. Frijters. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Inleidende opmerking van de rechtbank
1. De rechtbank doet vandaag uitspraak in alle drie genoemde zaken. In haar overwegingen zal de rechtbank eerst ingaan op de voor alle zaken relevante en gelijke feiten en omstandigheden. De rechtbank zal vervolgens de inhoudelijke vraagstukken, die tussen partijen en ter zitting uitgebreid onderwerp van debat zijn geweest, bespreken en daar een oordeel over geven. Ten slotte zal de rechtbank haar oordeel geven over het formeelrechtelijke aspect van de ontvankelijkheid in alle zaken.
Feiten en omstandigheden
2.1
Eiseres heeft de Surinaamse nationaliteit en heeft twee dochters. Haar oudste dochter [naam 1] , geboren op [geboortedatum 3] , heeft de Nederlandse nationaliteit. Haar jongste dochter, [eiseres 2] , is geboren op [geboortedatum 2] en heeft de Surinaamse nationaliteit. Eiseres is met haar dochters op 5 maart 2009 Nederland ingereisd en uit de gegevens van de Basisregistratie Personen (BRP) blijkt dat zij sinds 20 maart 2009 staan ingeschreven in Nederland. Van 21 april 2009 tot 21 april 2015 hebben zij op grond van een reguliere verblijfsvergunning verblijf gehad bij de voormalig partner van eiseres, [naam 2] , met de Nederlandse nationaliteit. Vanaf de zomer van 2016 tot september 2017 heeft eiseres met haar dochters bij kennissen in België verbleven. In september 2017 is eiseres teruggekeerd naar Nederland, waar zij in een opvanglocatie verblijft. De dochters zijn in België gebleven, eiseres bezoekt hen in de weekenden.
2.2
Bij besluit van 18 juli 2017 heeft verweerder aan eiseres, naar aanleiding van het arrest Chavez-Vilchez van het HvJEU, een EU-verblijfsdocument verstrekt op grond van artikel 20 van Pro het VWEU. [eiseres 2] heeft dit verblijfsdocument niet verkregen. Bij besluit van 25 oktober 2017 is aan [eiseres 2] wel een verblijfsvergunning regulier verstrekt met als verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [naam 3] ’, met ingang van
24 juli 2017.
Standpunten eiseressen
3.1
Eiseressen beogen met hun beroepen met zaaknummers AWB 18/425 en
AWB 18/426 – samengevat – duurzaam verblijfsrecht te verkrijgen als bedoeld in
artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000. Eiseressen stellen dit recht te kunnen ontlenen aan hun meer dan 5 jaar durende verblijfsrecht op grond van artikel 20 van Pro het VWEU. Zij onderbouwen hun betoog als volgt.
3.2
Eiseres betoogt dat zij rechtmatig verblijf heeft in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000, omdat zij is aan te merken als familielid van een gemeenschapsonderdaan als bedoeld in artikel 8.7, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 9 augustus 2013 [2] moet de Nederlandse dochter van eiseres immers worden aangemerkt als gemeenschapsonderdaan in de zin van artikel 1, onder het kopje ‘gemeenschapsonderdanen’, onder 1, van de Vw 2000 en eiseres als gemeenschapsonderdaan in de zin van artikel 1, onder het kopje ‘gemeenschapsonderdanen’, onder 2, van de Vw 2000. Dat eiseres een duurzaam verblijfsrecht heeft gekregen sluit volgens haar ook aan bij de jurisprudentie van het HvJEU waarin is geoordeeld dat bij een verblijfsrecht dat rechtstreeks voortvloeit uit artikel 21 van Pro het VWEU, maar niet valt onder de Verblijfsrichtlijn [3] , die richtlijn zoveel mogelijk naar analogie moet worden toegepast. Dit zal ook gelden voor een verblijfsrecht dat rechtstreeks voortvloeit uit artikel 20 van Pro het VWEU. Eiseres verwijst in dit kader naar de arresten O. en B. van 12 maart 2014 [4] en Lounes van 14 november 2017 [5] en naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 22 mei 2017. [6]
3.3
Eiseres betoogt verder dat zij het afgeleide verblijfsrecht op grond van artikel 20 van Pro het VWEU, met terugwerkende kracht, namelijk vanaf het moment van binnenkomst in Nederland in maart 2009, heeft verkregen. Weliswaar is dit recht voor eiseres pas vastgesteld bij besluit van 18 juli 2017, maar aangezien zij sinds 5 maart 2009 als enige verzorgende ouder met haar Nederlandse dochter [naam 1] in Nederland verblijft, ontleent zij al vanaf dat moment het verblijfsrecht aan artikel 20 van Pro het VWEU. Volgens eiseres heeft zij dan ook op 5 maart 2014 een duurzaam verblijfsrecht gekregen als bedoeld in artikel 8.17, eerste lid, van het Vb 2000.
3.4
Hoewel verweerder haar verzoek om vaststelling van een verblijfsrecht op grond van artikel 20 van Pro het VWEU heeft afgewezen, welke afwijzing voorligt in de zaak met nummer AWB 16/2514, betoogt [eiseres 2] dat ook zij een dergelijk afgeleid verblijfsrecht heeft en daarmee – gelijk aan de redenering zoals hiervoor onder 3.2 en 3.3 weergegeven – een duurzaam verblijfsrecht. Mede onder verwijzing naar de arresten van het HvJEU van
8 maart 2011, Ruiz Zambrano [7] , en van 15 november 2011, Murat Dereci [8] , betoogt [eiseres 2] dat verweerder de reikwijdte van artikel 20 van Pro het VWEU ten onrechte tot minderjarige kinderen beperkt. In rechtsoverweging 61 van het arrest Chavez-Vilchez heeft het HvJEU immers zijn eerdere rechtspraak herhaald dat artikel 20 van Pro het VWEU zich verzet tegen nationale maatregelen, daaronder begrepen beslissingen tot weigering van verblijf aan familieleden van een burger van de Unie, die tot gevolg hebben dat de burger van de Unie het effectieve genot van de voornaamste aan zijn status ontleende rechten wordt ontzegd. Weliswaar noemt het HvJEU alleen de verzorgende ouder, maar volgens [eiseres 2] is dat enkel omdat het in de bij het HvJEU voorliggende zaken steeds alleen verzorgende ouders betrof. [eiseres 2] betoogt dat het HvJEU ook van oordeel zal zijn dat het andere familieleden behorend tot het kerngezin zal betreffen. Als aan haar geen verblijf in Nederland wordt toegestaan, zal haar zus namelijk geen andere keuze hebben dan het grondgebied van de EU te verlaten. Immers, de moeder zal dan met [eiseres 2] vertrekken, zodat ook de zus niet anders kan dan hen volgen.
Standpunt verweerder
4.1
Verweerder stelt zich in alle zaken primair op het standpunt dat eiseressen in hun beroepen niet-ontvankelijk zijn. Gelet op het ontbreken van een wettelijke grondslag hiervoor, is verweerder noch de rechtbank bevoegd om de ingangsdatum van het rechtmatig verblijf van eiseressen vast te stellen. Dit volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling. [9] Een – in het geval van [eiseres 2] eventueel – bestaand unierechtelijk verblijfsrecht kan niet met terugwerkende kracht worden vastgesteld. Voor eiseres geldt dat dit verblijfsrecht op
18 juli 2017 is vastgesteld en bij [eiseres 2] is dit verblijfsrecht helemaal nog niet vast komen te staan. Zelfs al zou deze redenering niet opgaan, dan ontstond het afgeleide verblijfsrecht volgens verweerder in ieder geval pas op het moment dat het op grond van het nationale recht aan eiseres verstrekte verleende verblijfsrecht bij binnenkomst in Nederland, namelijk voor verblijf bij haar toenmalige partner, is ingetrokken. Dat was op 21 april 2015. Dit houdt volgens verweerder in dat, zou de redenering van eiseressen juist zijn dat het op grond van artikel 20 van Pro het VWEU verkregen verblijfsrecht na vijf jaar tot een duurzaam verblijf kan leiden, dit verblijf voor eiseres niet eerder dan op 21 april 2020 dan wel 18 juli 2022 zou kunnen ingaan. Eiseressen kunnen met onderhavige beroepen dan ook niet in een gunstigere positie terecht komen dan de positie die zij nu reeds hebben krachtens het hen verleende verblijfsrecht, aldus verweerder.
4.2
Subsidiair stelt verweerder zich in de zaken met nummers AWB 18/425 en
AWB 18/426 op het standpunt dat de door eiseressen aangevoerde omstandigheid dat zij langer dan vijf jaar beschikken over een uit artikel 20 VWEU Pro voortvloeiend verblijfsrecht, geen duurzaam verblijfsrecht in de zin van artikel 16 van Pro de Verblijfsrichtlijn doet ontstaan. Verweerder verwijst hiertoe naar het arrest van het HvJEU van 21 december 2011 in de zaak Ziolkowski en Szeja. [10] Ten aanzien van [eiseres 2] stelt verweerder zich verder op het standpunt dat zij op grond van het reguliere vreemdelingenrecht in Nederland bij eiseres verblijft. Dit is geen verblijf op grond van de Verblijfsrichtlijn.
4.3
Verweerder stelt zich in de zaak met nummer AWB 16/2514 – meer subsidiair – op het standpunt dat [eiseres 2] sowieso geen verblijfsrecht op grond van artikel 20 WVEU Pro kan verkrijgen omdat uit de jurisprudentie van het HvJEU blijkt dat een dergelijk recht enkel aan verzorgende ouders toekomt. Bovendien heeft zij inmiddels rechtmatig verblijf op grond van een nationaalrechtelijke verblijfsvergunning, zodat een Chavez Vilchez-situatie is uitgesloten.
Duurzaam verblijf op grond van een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU Pro?
5.1
In de redenering van eiseressen is het uitgangspunt dat een op grond van artikel 20 van Pro het VWEU verkregen verblijfsrecht kan leiden tot een duurzaam verblijfsrecht zoals bedoeld in artikel 16 van Pro de Verblijfsrichtlijn. Dit uitgangspunt is naar het oordeel van de rechtbank niet juist. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van
2 mei 2018. [11] Hieruit volgt dat het afgeleide verblijfsrecht op grond van artikel 20 van Pro het VWEU niet kan worden aangemerkt als rechtmatig verblijf dat in aanmerking kan worden genomen voor de verkrijging van het duurzaam verblijfsrecht. Volgens eiseressen moet verder aansluiting worden gezocht bij de jurisprudentie van het HvJEU waarin is geoordeeld dat bij een verblijfsrecht dat rechtstreeks voortvloeit uit artikel 21 van Pro het VWEU, maar niet valt onder de verblijfsrichtlijn, die richtlijn zoveel mogelijk naar analogie moet worden toegepast. Ook dit betoog volgt de rechtbank niet. Anders dan bij een verblijfsrecht dat voortvloeit uit artikel 21 van Pro het VWEU, is bij een verblijfsrecht dat voortvloeit uit artikel 20 van Pro het VWEU geen sprake van gebruikmaking van het recht op vrij verkeer. Op grond van het arrest Chavez-Vilchez wordt immers aan de derdelander ouder van een minderjarige Unieburger die geen gebruik heeft gemaakt van het recht op vrij verkeer, een afgeleid verblijfsrecht toegekend enkel en alleen om te voorkomen dat het kind gedwongen zou worden het grondgebied van de Unie te verlaten.
Chavez Vilchez-recht voor [eiseres 2] ?
5.2
Gelet op het hierboven in 5.1 overwogene geldt ten aanzien van [eiseres 2] dat het eventueel verkrijgen van een van haar zus afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van Pro het VWEU haar in elk geval geen duurzaam verblijf op grond van artikel 16 van Pro de Verblijfsrichtlijn kan opleveren. Het doel dat [eiseres 2] voor ogen staat kan met de onderhavige aanvraag dus niet worden bereikt. Bovendien heeft verweerder de aanvraag van [eiseres 2] om dit afgeleide verblijfsrecht op grond van artikel 20 van Pro het VWEU naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden afgewezen. Uit jurisprudentie van het HvJEU, waaronder het arrest Chavez-Vilchez, volgt dat een verblijfsrecht op grond van artikel 20 van Pro het VWEU ziet op de verzorgende ouder die zorgt voor het minderjarige kind. [eiseres 2] is niet een verzorgende ouder maar de zus van de meerderjarige [naam 1] . In het arrest K.A. tegen België [12] heeft het HvJEU geoordeeld dat een situatie waarin tussen twee volwassenen familieleden een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat deze een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU Pro doet ontstaan slechts in uitzonderlijke gevallen voorstelbaar is. Dit is het geval indien de betrokkene op geen enkele wijze kan worden gescheiden van het familielid van wie hij afhankelijk is. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de in deze zaak voorliggende casus niet op één lijn kan worden gesteld met de hier bedoelde situatie in het arrest K.A. Gesteld noch gebleken is dat tussen [eiseres 2] en haar zus [naam 1] , inmiddels zelf een volwassen burger van de Unie, een dusdanig bijzondere afhankelijkheidsrelatie bestaat, dat [naam 1] zich in dezelfde positie bevindt als een minderjarig kind dat zich niet staande kan houden in de lidstaat van zijn nationaliteit zonder de verzorging van – in dit geval – haar jongere zus [eiseres 2] . Het betoog dat, indien [eiseres 2] terug moet keren naar Suriname, eiseres met haar mee zal gaan en dus ook haar Nederlandse zus geen andere keuze heeft dan mee te gaan en het grondgebied van de Unie te verlaten, mist feitelijke grondslag nu van een terugkeersituatie geen sprake is. [eiseres 2] hoeft niet terug te keren naar Suriname omdat zij een verblijfsvergunning heeft voor verblijf bij haar moeder.
Procesbelang
6.1
Reeds op grond van het voorgaande zouden de beroepsgronden van eiseres in de zaak met nummer AWB 18/425 en van [eiseres 2] in de zaken 16/2514 en AWB 18/426 niet kunnen slagen. Verweerder heeft zich echter terecht op het primaire en meest verstrekkende standpunt gesteld dat eiseressen in hun beroepen niet-ontvankelijk zijn. De rechtbank is namelijk met verweerder van oordeel dat eiseressen door de beoordeling van de voorliggende beroepen, niet in een materieel gunstigere positie kunnen komen. De rechtbank overweegt daartoe dat in de Verblijfsrichtlijn nadere regels zijn neergelegd met betrekking tot het recht van Unieburgers om zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven zoals is bepaald in artikel 20 van Pro het VWEU. De Afdeling heeft in de uitspraak van 21 februari 2011, waarnaar verweerder in dit kader verwijst, overwogen dat de Verblijfsrichtlijn er niet aan in de weg staat dat het nationale recht voorziet in de mogelijkheid om de ingangsdatum van het rechtmatig verblijf van een vreemdeling op grond van het Gemeenschapsrecht vast te stellen, indien daar door een vreemdeling als bedoeld in artikel 8.7 van het Vb 2000 uitdrukkelijk om wordt verzocht. Bij of krachtens de Vw 2000 is in een dergelijke bevoegdheid echter niet voorzien. De Verblijfsrichtlijn verplicht de lidstaten niet deze mogelijkheid op te nemen, zodat geen sprake is van een onjuiste implementatie van de richtlijn. Verweerder is derhalve, gelet op het ontbreken van een wettelijke grondslag hiervoor, niet bevoegd om de ingangsdatum van het rechtmatig verblijf van eiseres vast te stellen met terugwerkende kracht. Anders dan eiseressen ter zitting hebben betoogd, is de rechtbank hiertoe ook niet bevoegd.
6.2
Omdat verweerder niet bevoegd is de ingangsdatum van het rechtmatig verblijf met terugwerkende kracht vast te stellen, wat in de redenering van eiseressen noodzakelijk zal zijn om het door hen beoogde doel van duurzaam verblijf te kunnen bereiken, kunnen eiseressen met de onderhavige procedures niet bereiken wat zij voor ogen hebben. Voor eiseres kan een eventueel duurzaam verblijf, nog daargelaten de inhoudelijke beoordeling ervan, gelet op voorgaande niet eerder dan per 20 juli 2022 aan de orde zijn. Voor [eiseres 2] geldt dat het afgeleide verblijfsrecht helemaal nog niet is vastgesteld en dat de aanvraag hiertoe – gelet op hetgeen hiervoor onder 5.2 is overwogen – ook op goede gronden is afgewezen.
Conclusie in alle zaken
7. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiseressen geen procesbelang hebben bij beoordeling van hun beroepen en verklaart deze niet-ontvankelijk.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank,
in de zaken AWB 16/2514, AWB 18/425 en AWB 18/426
verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, voorzitter, en mr. O.P.G. Vos en
mr. A.K. Mireku, leden, in aanwezigheid van mr. M.A. Knikkink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 september 2018.
griffier
voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van Pro de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van Pro de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Voetnoten

1.ECLI:EU:C:2017:354, hierna het arrest Chavez-Vilchez
3.Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden
4.ECLI:EU:C:2014:135
5.ECLI:EU:C:2017:862
7.ECLI:EU:C:2011:124
8.ECLI:EU:C:2011:734
10.ECLI:EU:C:2011:866
12.ECLI:EU:C:2018:308