ECLI:NL:RBDHA:2018:11663
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielverzoek Noordkoreaanse aanvrager wegens onvoldoende bewijs waardevolle positie
Eiser, een Noordkoreaan, diende een opvolgende asielaanvraag in die door de staatssecretaris werd afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser stelde dat hij vanwege zijn afkomst uit een speciale economische zone en zijn werkzaamheden aan militaire installaties een waardevolle positie bekleedde, waardoor zijn familie in Noord-Korea gevaar loopt bij vestiging in Zuid-Korea.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een hooggeplaatste of waardevolle persoon is. Zijn functie was laag en hij beschikte niet over bijzondere militaire informatie. Ook was onvoldoende onderbouwd dat zijn familieleden hooggeplaatst zijn. De rechtbank verwees naar eerdere uitspraken en het feit dat eiser deze specifieke omstandigheden niet eerder had aangevoerd.
De aanvraag werd terecht als kennelijk ongegrond afgewezen op grond van artikel 30b van de Vreemdelingenwet 2000. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.