Uitspraak
.Verweerder heeft bij de belangenafweging dan ook zwaar mogen laten wegen dat de banden die eisers in Nederland hebben opgebouwd zijn aangegaan tijdens illegaal verblijf althans in een periode dat zij geen geldig verblijfsrecht hadden. De omstandigheid dat de kinderen in Nederland geworteld zijn geraakt, hier naar school gaan en sociale en culturele banden hebben opgebouwd, is inherent aan een langdurig verblijf in Nederland. De omstandigheid dat de kinderen erg goed presteren op school is, hoe bewonderenswaardig ook, onvoldoende om een verblijfsrecht te ontlenen aan artikel 8 van Pro het EVRM. Dat de kinderen nauwelijks een band hebben met hun land van herkomst, laat onverlet dat eisers het grootste deel van hun leven in Armenië hebben gewoond en aldaar hebben deelgenomen aan het maatschappelijke leven. Zij worden geacht nog steeds affiniteit te hebben met hun land van herkomst. Hierbij is van belang dat eisers nog steeds een woning hebben in hun land van herkomst. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM in het nadeel van eisers uitvalt.
12.Het beroep is ongegrond.
13.Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2018.