ECLI:NL:RVS:2015:2098
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank over afwijzing verblijfsvergunning wegens niet meewerken aan vertrek
De vreemdelingen, een gezin met minderjarige zoon als hoofdpersoon, vroegen op 15 maart 2013 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan op grond van de Regeling langdurig verblijvende kinderen. De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat de zoon niet meewerkte aan zijn vertrek, een contra-indicatie volgens de Vreemdelingencirculaire 2000.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris ten onrechte had afgewezen, omdat op het moment van het besluit de vreemdelingen rechtmatig verblijf hadden vanwege de gezondheidstoestand van de vader, waardoor geen vertrekplicht bestond. De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat de Regeling anders uitgelegd moet worden en dat de periode waarin de vertrekplicht gold leidend is.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de staatssecretaris ruime beleidsvrijheid heeft, maar dat het besluit van 12 november 2013 niet deugdelijk gemotiveerd was omdat niet duidelijk was of de gezondheidstoestand van de vader en de daarmee samenhangende verblijfsprocedure waren betrokken bij de beoordeling van de medewerking van de zoon. De Afdeling bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank, zij het met verbeterde motivering, en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris ongegrond.