ECLI:NL:RBDHA:2017:8499
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G. van Zeben-de Vries
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige bekering tot christendom en Koerdische discriminatie
Eiser, een Iraanse Koerd, verzocht om een verblijfsvergunning asiel nadat hij Iran had verlaten vanwege zijn bekering tot het christendom en discriminatie op grond van zijn etniciteit. Hij legde aan zijn aanvraag ten grondslag dat hij na contact met een christelijke collega zich bekeerd had en huiskerkbijeenkomsten bezocht. Verweerder wees de aanvraag af wegens ongeloofwaardigheid van de bekering en het proces daaromheen.
De rechtbank overwoog dat verweerder terecht de geloofwaardigheid van de bekering in twijfel trok vanwege inconsistente verklaringen van eiser over zijn motieven en het proces van afvalligheid van de islam. Ook de summiere kennis van het christendom en het ontbreken van concrete toelichting op innerlijke veranderingen droegen bij aan het oordeel dat geen diepgewortelde geloofsovertuiging was aangetoond.
Het door eiser overgelegde rapport van Stichting Gave kon dit oordeel niet wijzigen, omdat het aan eiser bleef om overtuigende verklaringen te geven. De rechtbank concludeerde dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij aanspraak kan maken op een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel is ongegrond verklaard vanwege ongeloofwaardige bekering en onvoldoende aannemelijkheid van de gevraagde bescherming.