ECLI:NL:RBDHA:2017:8343
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Beslissing over proceskostenvergoeding na intrekking kort geding
In deze kortgedingprocedure heeft eiser tijdens de mondelinge behandeling zijn vordering ingetrokken. Gedaagde heeft vervolgens binnen de wettelijk gestelde termijn van veertien dagen verzocht om een beslissing over de proceskostenvergoeding. Eiser maakte bezwaar tegen dit verzoek en stelde dat de zaak doorhaling had gekregen en dat een proceskostenveroordeling daarom niet meer mogelijk was.
De kantonrechter verwijst naar een arrest van de Hoge Raad van 3 juni 2016, waarin is bepaald dat de aanhangigheid van een kort geding niet vervalt door intrekking van de vordering indien de gedaagde tijdig aangeeft dat hij een beslissing over de proceskosten wenst. In dit geval heeft gedaagde tijdig verzocht om proceskostenvergoeding en is geen sprake van doorhaling op gezamenlijk verzoek.
De kantonrechter concludeert dat eiser als de in het ongelijk gestelde partij dient te worden veroordeeld in de proceskosten, vastgesteld op €400,- exclusief BTW. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en uitgesproken op 27 maart 2017.
Uitkomst: Eiser wordt veroordeeld tot betaling van €400,- proceskosten aan gedaagde.