ECLI:NL:RBDHA:2017:8180
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening visumaanvraag wegens ontbreken spoedeisend belang
Verzoeker, van Egyptische nationaliteit, had op 14 november 2016 bij de Nederlandse Vertegenwoordiging in Amman een visum kortverblijf aangevraagd. De minister van Buitenlandse Zaken wees deze aanvraag af omdat het doel en de omstandigheden van het bezoek onvoldoende waren aangetoond en niet kon worden vastgesteld dat verzoeker Nederland tijdig zou verlaten.
Verzoeker vroeg vervolgens om een voorlopige voorziening om toch toegelaten te worden tot Nederland, met het oog op het vieren van de ramadan en het Suikerfeest met zijn broer, mede vanwege het recente overlijden van zijn moeder. Hij stelde dat hij een vaste baan en familiebezit in Egypte heeft en in 2009 ook al een visum had gekregen en teruggekeerd was.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de toewijzing van het verzoek neerkomt op een feitelijke positieve beslissing op de visumaanvraag, met onomkeerbare gevolgen. Daarom moet het belang van verzoeker zwaarwegend en spoedeisend zijn, wat hier niet het geval is. Het feit dat hij mogelijk de ramadan niet in Nederland kan doorbrengen, is onvoldoende spoedeisend. Ook eerdere jurisprudentie waarop verzoeker zich beroept, is niet vergelijkbaar.
De voorzieningenrechter wees het verzoek af en oordeelde dat er geen aanleiding was voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van griffierecht. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.