ECLI:NL:RBDHA:2017:6689
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek vergoeding kosten rechtsbijstand politieambtenaar bij sepot strafzaak
Verzoeker, een politieambtenaar, vroeg vergoeding van kosten voor rechtsbijstand na een strafzaak waarin hij als verdachte van mishandeling was aangemerkt. De strafzaak werd geseponeerd wegens onvoldoende bewijs. De kosten van rechtsbijstand waren door zijn werkgever, de nationale politie, voldaan op grond van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) en de Regeling tegemoetkoming rechtskundige hulp politie.
De rechtbank oordeelde dat deze kosten niet als een voorschot aan verzoeker kunnen worden beschouwd, omdat de werkgever de kosten daadwerkelijk heeft gedragen en er geen verplichting tot terugbetaling bestaat. Jurisprudentie bevestigt dat kosten die door de werkgever worden betaald niet ten laste van de politieambtenaar komen en daarom niet voor vergoeding op grond van artikel 591a Wetboek van Strafvordering in aanmerking komen.
Ook de kosten voor het indienen en behandelen van het verzoekschrift worden niet toegekend, omdat deze eveneens door de werkgever gedragen dienen te worden. De rechtbank concludeert dat er geen gronden van billijkheid zijn om vergoeding toe te kennen en wijst het verzoek af.
Uitkomst: Het verzoek tot vergoeding van kosten rechtsbijstand wordt afgewezen omdat deze door de werkgever zijn betaald en niet ten laste van verzoeker zijn gekomen.