ECLI:NL:RBDHA:2017:1501
Rechtbank Den Haag
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling eigenwoningregeling bij gedeeltelijke verhuur woonboerderij voor inkomstenbelasting
Eiser was eigenaar van een gesplitste woonboerderij met aanhorigheden, waarvan een deel werd verhuurd aan een stichting en een ander deel bewoond werd door zijn dochter. De kern van het geschil betrof de vraag of de gehele onroerende zaak als eigen woning kon worden aangemerkt voor de jaren 2008 tot en met 2010.
De rechtbank stelde vast dat het hoofdgebouw in 1932 was gesplitst in twee zelfstandige woningen met eigen voorzieningen, waarvan het deel met het adres [adres 2] als zelfstandige woning werd bewoond door de dochter van eiser. Dit deel kon daarom niet tot de eigen woning van eiser worden gerekend.
Op basis van de WOZ-waarden en het feitelijke gebruik concludeerde de rechtbank dat 70% van de waarde van de onroerende zaak als eigen woning moest worden aangemerkt en 30% niet. De navorderingsaanslagen van de Belastingdienst, die hierop waren gebaseerd, werden daarom als terecht beoordeeld. De beroepen van eiser werden ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt dat slechts 70% van de onroerende zaak als eigen woning kwalificeert.