Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 december 2017 in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
.
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
16. De rechtbank stelt verder vast dat eiser de lichte gronden onder 4a, 4c en 4d niet heeft betwist. De zware grond onder 3b, alsmede de lichte gronden onder 4a, 4c en 4d, geven in onderlinge samenhang bezien voldoende grond om aan te nemen dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Immers uit artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb, in samenhang gelezen met artikel 5.1a, vijfde lid, van het Vb, volgt dat wanneer ten minste twee van de gronden als bedoeld in artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb, waarvan ten minste één van de gronden, bedoeld in het derde lid, op de vreemdeling van toepassing zijn, een significant risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken. De hiervoor genoemde bewaringsgronden kunnen de maatregel dan ook dragen. De beroepsgrond slaagt niet.
Beslissing
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.