Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 oktober 2017 in de zaak tussen
Procesverloop
Overwegingen
Voorts voert eiseres aan dat voor zover zij al aan bewijsstukken over haar geboortedatum zou kunnen komen, dit document dan niet kan worden opgestuurd omdat in Eritrea worden de telefoons systematisch getapt en het internet (voor zover beschikbaar) wordt gecontroleerd. Het doorsturen van documenten voor vluchtelingen wordt beschouwd als landverraad en de post (voor zover deze al werkt) is in handen van de PFDJ, aldus eiseres. Ook meent eiseres dat uit officiële bronnen blijkt de gang naar de ambassade of het consulaat zinloos lijkt. Ter onderbouwing hiervoor verwijst zij naar informatie van de Canadese Immigration and Refugee Board van 16 september 2013 (pagina 2): "
The consular official indicated that for Eritreans who cannot prove their nationality because they lack the required documentation, it can be "very difficult" to obtain an ID card. Applicants are required to have close family members attest to their identity at the consulate, and, if possible, bring copies of their parents' national ID card.". Hieruit volgt volgens eiseres dat sprake is van bewijsnood. Daarbij wijst zij eveneens naar de expert-opinie van de Migration Law Clinic -
The 'bewijsnood' policy of the Dutch immigration service: A correct interpretation of the Family Reunification Directive or an unlawful procedural hurdle?van mei 2017 (pagina 35-37), waarin wordt betoogd dat de strenge eisen van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) het voor Eritrese asielstatushouders onmogelijk maken om effectief gebruik te maken van hun rechten, gewaarborgd in de Gezinsherenigingsrichtlijn. In deze expert-opinie wordt gewezen op rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJ-EU), onder meer de zaak Ambisig tegen Portugal, van 7 juli 2016 (ECLI:EU:C:2016:530) die zegt dat het niet proportioneel is om van asielzoekers te vragen dat zij bewijzen dat het absoluut onmogelijk is om bepaalde bewijsstukken te verkrijgen. Daarnaast gaat de expert-opinie in op uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in gezinsherenigingszaken en asielzaken die erkent dat mensen die uit hun land van herkomst hebben moeten vluchten vaak moeilijk documenten kunnen krijgen en waarin het EHRM dan ook vindt dat de autoriteiten in deze zaken niet-officiële documenten niet mogen uitsluiten van de beoordeling (vgl. het arrest in de zaak Tanda-Muzinga tegen Frankrijk van 10 juli 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:0710JUD000226010, het arrest in de zaak M.A. tegen Zwitserland van 18 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1118JUD005258913, het arrest in de zaak F.N. tegen Zweden van 18 december 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:1218JUD002877409, het arrest in de zaak Singh tegen België van 2 oktober 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:1002JUD003321011, en rechtsoverweging 93 in het arrest in de zaak J.K. tegen Zweden van 22 augustus 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:0823JUD005916612).
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, voor zover hierbij is besloten de leeftijd van eiseres die is geregistreerd door de Italiaanse autoriteiten, te weten [geboortedag] 1999, aan te houden;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;
- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten vastgesteld op een bedrag van € 990,00.