ECLI:NL:RBDHA:2017:11857

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 oktober 2017
Publicatiedatum
17 oktober 2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 26441
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Vw 2000
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang bij aanvraag duurzaam verblijf

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie om zijn aanvraag voor een document 'duurzaam verblijf burgers van de Unie' af te wijzen. De aanvraag was gedaan omdat eiser eerder in aanmerking wilde komen voor naturalisatie.

De rechtbank stelt vast dat eiser reeds sinds 28 maart 2011 in het bezit is van een verblijfsdocument en dat op 14 juli 2017 een nieuw document is afgegeven dat zijn duurzame verblijfsrecht bevestigt. Hierdoor is het beroep feitelijk gericht op een eerdere ingangsdatum van het verblijfsdocument, wat volgens de rechtbank geen voldoende procesbelang oplevert.

De rechtbank verwijst naar eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin is bepaald dat het wachten op naturalisatie geen grond is voor procesbelang zolang het verblijfsdocument geldig blijft. Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Er worden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 16/26441

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. C.J. Driessen),
en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.A.H. Kroes).

Procesverloop

Bij besluit van 20 april 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot afgifte van een document ‘duurzaam verblijf burgers van de Unie’, als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen.
Bij besluit van 4 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2017.
Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten.
Eiser is met ingang van 28 maart 2011 in het bezit gesteld van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit zijn rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan bleek.
Op 25 februari 2015 deed eiser een aanvraag voor duurzaam verblijf als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000, welke werd afgewezen omdat nog niet aan de voorwaarde van vijf jaar verblijf was voldaan. Eisers bezwaar daartegen werd op 21 juli 2015 ongegrond verklaard.
Op 5 januari 2016 heeft eiser onderhavige aanvraag ingediend. Bij het bestreden besluit van 4 november 2016 is eisers bezwaar ongegrond verklaard.
Eiser heeft op 29 november 2016 wederom een aanvraag voor duurzaam verblijf als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000 ingediend. Bij besluit van 14 juli 2017 is eisers aanvraag ingewilligd en is aan hem een document afgegeven waaruit zijn duurzame verblijfsrecht blijkt.
2. De rechtbank ziet zich, gelet het op 14 juli 2017 aan eiser verleende document als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000, gesteld voor de vraag of eiser procesbelang heeft bij de beoordeling van het voorliggende beroep.
2.1
Eiser heeft betoogd dat zijn procesbelang gelegen is in het eerder kunnen verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit. Indien onderhavige aanvraag ingewilligd wordt, zal de ingangsdatum van eisers document op een eerdere datum komen te liggen, zodat hij eerder in aanmerking komt voor naturalisatie.
2.2
De rechtbank is, onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 september 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BN9222) en 15 december 2005 (ECLI:NL:RVS:2005:AU9167), van oordeel dat de omstandigheid dat een vreemdeling mogelijk langer moet wachten op mogelijke naturalisatie, is ontleend aan een onzekere, gestelde aanspraak ter vaststelling waarvan de wetgever niet gewild heeft dat zou worden doorgeprocedeerd, zolang de verleende verblijfsvergunning geldig blijft.
Het betoog van eiser, dat hij op een eerder tijdstip voor naturalisatie in aanmerking kan komen indien hij in onderhavige procedure in het bezit wordt gesteld van een document als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000 kan, gelet op voorgaande Afdelingsuitspraken, niet als een omstandigheid worden aangemerkt op basis waarvan procesbelang moet worden aangenomen. Overigens voldoet eiser, zoals verweerder heeft opgemerkt, gelet op het afgegeven document, behoudens contra-indicaties, reeds aan de voorwaarde van vijf jaar toelating voor naturalisatie.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij beoordeling van zijn beroep.
3. Het beroep is niet-ontvankelijk.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. L.B.M. Klein Tank, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Badermann, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hoger beroepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.