ECLI:NL:RBDHA:2017:10575
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op Unierechtelijk verblijfsrecht op grond van gezinsleven en vrij verkeer van diensten
Eiser, van Guinese nationaliteit, verzocht om een document op grond van artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, waarmee rechtmatig verblijf als familielid van een EU-burger wordt aangetoond. Zijn aanvraag werd afgewezen omdat de Immigratie- en Naturalisatiedienst oordeelde dat het recht op vrij verkeer van diensten van zijn partner, de referente, niet zodanig beperkt werd dat eiser rechtmatig verblijf kon ontlenen aan het Unierecht.
Eiser betoogde dat zijn ondersteunende rol in het huishouden essentieel is voor het werk van zijn partner in Nederland, België en Duitsland, en dat het recht op gezinsleven volgens artikel 7 van Pro het Handvest van de Grondrechten van de EU hem verblijf zou moeten garanderen. De rechtbank oordeelde dat het gezinsleven geen zelfstandig verblijfsrecht geeft en dat het Handvest geen nieuwe rechten creëert, maar alleen van toepassing is binnen het kader van het Unierecht.
De rechtbank verwees naar jurisprudentie van het Hof van Justitie, waaronder het arrest S. en G., en concludeerde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanwezigheid noodzakelijk is voor het uitoefenen van het vrij verkeer van diensten door zijn partner. Ook de bepleite afhankelijkheid van de partner was onvoldoende om verblijf te rechtvaardigen.
De rechtbank zag geen aanleiding voor prejudiciële vragen en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak bevestigt dat het gezinsleven niet automatisch leidt tot verblijfsrecht en benadrukt de strikte toepassing van het Unierecht in verblijfszaken.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de aanvraag voor het verblijfsdocument wordt afgewezen.