Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2016:548

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 januari 2016
Publicatiedatum
21 januari 2016
Zaaknummer
C/09/497442 / HA RK 15-453
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 lid 1 Wet griffierechten burgerlijke zaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzet tegen griffierecht wegens overschrijding termijn

La Mouette B.V. verzet zich tegen de hoogte van het door de griffier in rekening gebrachte griffierecht, met name over de nevenvordering tot betaling van buitengerechtelijke kosten. Zij stelt dat het verzet tijdig is ingesteld binnen één maand na ontvangst van de factuur op 3 september 2015. De griffier betwist dit en stelt dat het verzet uiterlijk op 5 september 2015 had moeten worden ingediend, één maand na de betaling van het griffierecht op 5 augustus 2015.

De rechtbank overweegt dat advocaten via het roljournaal op internet tijdig kunnen nagaan welk bedrag aan griffierecht is voldaan en dat zij niet afhankelijk zijn van de maandelijkse rekening-courantoverzichten. De wettelijke termijn voor het indienen van verzet begint te lopen vanaf de datum van betaling, niet vanaf de datum van ontvangst van de factuur.

Omdat het verzet pas op 2 oktober 2015 is ingediend, na het verstrijken van de termijn op 5 september 2015, verklaart de rechtbank het verzet niet-ontvankelijk. Daarnaast bevestigt de rechtbank dat de vordering tot betaling van buitengerechtelijke kosten als geldvordering mee moet worden genomen bij de berekening van het griffierecht.

Uitkomst: Het verzet van La Mouette tegen het griffierecht is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel
zaaknummer / rekestnummer: C/09/497442 / HA RK 15-453
Beschikking van 7 januari 2016
in de zaak van
de besloten vennootschap
LA MOUETTE B.V.,
gevestigd te Leiden,
verzoekster,
advocaat mr. N. Entzinger te Groningen,
tegen
DE GRIFFIER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG,
vertegenwoordigd door mr. W.F. Wagter,
verweerder.
Partijen worden hierna aangeduid met ‘La Mouette’ en ‘de griffier’.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het op 2 oktober 2015 ingekomen verzetschrift,
  • het op 12 november 2015 ingekomen verweerschrift,
  • de brief van mr. Entzinger van 27 november 2015,
  • de brief van mr. Wagter van 22 december 2015.

2.Het verzoek en het verweer

2.1.
La Mouette verzet zich tegen de hoogte van het aan haar door de griffier in rekening gebrachte griffierecht. Zij voert daartoe aan dat de griffier ten onrechte het griffierecht heeft berekend over de nevenvordering tot veroordeling van de wederpartij in de betaling van de buitengerechtelijke kosten. De nevenvordering dient volgens La Mouette niet bij de berekening van de hoogte van het griffierecht te worden betrokken.
2.2.
La Mouette voert tevens aan dat het verzet tijdig is ingesteld. Het griffierecht is op 5 augustus 2015 voldaan via een rekening-courantverhouding. Pas op 3 september 2015 is de factuur ontvangen waaruit bleek welk bedrag aan griffierecht was betaald. Het verzet dateert van 2 oktober 2015 en is tijdig - binnen de termijn van één maand ná 3 september 2015 - ingesteld, aldus La Mouette.
2.3.
De griffier voert primair aan dat La Mouette in haar verzet niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat het verzet te laat is ingediend. Het verzet had uiterlijk op 5 september 2015 - binnen één maand ná de betaling op 5 augustus 2015 - moeten worden ingesteld. Het verzet is na het verstrijken van de daarvoor geldende wettelijke termijn ingesteld. Subsidiair concludeert de griffier tot ongegrondverklaring van het verzet. De vordering tot betaling van een concreet bedrag aan buitengerechtelijke kosten dient te worden aangemerkt als een geldvordering, die dient te worden meegenomen bij de vaststelling van de hoogte van het griffierecht, aldus de griffier.

3.De beoordeling

3.1.
Beide partijen hebben aangegeven geen prijs te stellen op een mondelinge behandeling.
3.2.
Artikel 29 lid 1 van Pro de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) bepaalt dat degene die de griffierechten en verschotten heeft betaald, gedurende een maand na die betaling tegen de beslissing van de griffier tot heffing van het griffierecht of de verschotten bij verzoekschrift in verzet kan komen bij het gerecht waaraan het griffierecht of de verschotten werden betaald.
3.3.
Niet staat ter discussie dat het griffierecht op 5 augustus 2015 is voldaan en het verzetschrift op 2 oktober 2015 bij de rechtbank is ingekomen. La Mouette voert aan dat haar advocaat pas op 3 september 2015 bekend is geworden met de hoogte van het in rekening gebrachte griffierecht. Op die datum is door De Haan Advocaten en Notarissen BV te Groningen een nota over augustus 2015 ontvangen, vergezeld van overzichten die de zaken vermelden waarin griffierecht is geheven. Uit één van die overzichten blijkt dat op 5 augustus 2015 in de onderliggende dagvaardingsprocedure een bedrag van € 1.909,00 aan griffierecht is betaald.
3.4.
De rechtbank overweegt dat advocaten met behulp van het roljournaal op internet de actuele handelsrol van de rechtbank kunnen raadplegen. Nieuwe rolgegevens worden geheel automatisch vanuit het zaakregistratiesysteem van de roladministraties verwerkt in het roljournaal. De gebruiker kan binnen de zaken van het eigen kantoor vrij zoeken op advocaat, partij, zaaknummer en roldatum. Voor de eigen zaken wordt het griffierecht en het geldelijk belang weergegeven. Hieruit volgt dat de advocaat de mogelijkheid heeft tijdig in het roljournaal na te gaan welk bedrag op welke datum aan griffierecht door hem via zijn rekening-courantverhouding is voldaan. Hij is daarvoor niet afhankelijk van het eenmaal per maand aan hem toegezonden rekening-courantoverzicht.
3.5.
Het griffierecht is voldaan op 5 augustus 2015, zodat de termijn voor verzet afliep op 5 september 2015. Het verzetschrift is bij de rechtbank ingekomen op 2 oktober 2015. Dit leidt tot de conclusie dat La Mouette niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzet.
3.6.
Ten overvloede verwijst de rechtbank naar een uitspraak van deze rechtbank van 10 november 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:12809). In die uitspraak is overwogen dat in de Wgbz geen onderscheid wordt gemaakt tussen hoofdvorderingen en nevenvorderingen en dat de vordering tot betaling van buitengerechtelijke kosten een geldvordering is die dient te worden meegenomen in de vaststelling van de hoogte van het verschuldigde griffierecht.

4.De beslissing

De rechtbank verklaart La Mouette niet-ontvankelijk in haar verzet.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2016. [1]

Voetnoten

1.type: 206