Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2015:12809

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 november 2015
Publicatiedatum
10 november 2015
Zaaknummer
C/09/490853 / HA RK 15-253
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 lid 1 WgbzArt. 29 lid 1 WgbzArt. 6:96 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Buitengerechtelijke kosten tellen mee voor bepaling griffierecht

In deze zaak verzet de verzoekster zich tegen de hoogte van het door de griffier vastgestelde griffierecht van €1.909, dat zij heeft betaald in een bodemprocedure. Zij stelt dat het griffierecht lager had moeten zijn omdat de hoofdsom van de vordering onbepaald is en de buitengerechtelijke kosten van €3.500 slechts een nevenvordering zijn die niet mee zouden moeten tellen.

De griffier verdedigt de hoogte van het griffierecht en stelt dat de buitengerechtelijke kosten een geldvordering vormen die meetelt voor de bepaling van het griffierecht. De rechtbank overweegt dat volgens artikel 10 lid 1 Wgbz Pro de hoogte van het griffierecht wordt bepaald aan de hand van de totale geldvordering, inclusief buitengerechtelijke kosten.

De rechtbank wijst het verzet af en bevestigt dat de griffier het juiste griffierecht in rekening heeft gebracht. De buitengerechtelijke kosten maken integraal deel uit van de geldvordering en beïnvloeden daarmee de hoogte van het griffierecht.

Uitkomst: Het verzet tegen de hoogte van het griffierecht wordt ongegrond verklaard en het geheven griffierecht bevestigd.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel
zaaknummer / rekestnummer: C/09/490853 / HA RK 15-253
Beschikking van 5 november 2015
in de zaak van
de besloten vennootschap
[verzoekster],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verzoekster,
advocaat mr. C.M.E. Verhaegh te Leiden,
tegen
de griffier van de rechtbank Den Haag,
vertegenwoordigd door mr. M.F. Wagter.
Partijen worden hierna aangeduid met ‘ [verzoekster] ’ en ‘de griffier’.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het op 17 juni 2015 ingekomen verzetschrift,
  • het op 1 juli 2015 ingekomen verweerschrift.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2015. Mr. Verhaegh en mr. Wagter zijn verschenen. Mr. Wagter heeft pleitaantekeningen overgelegd.

2.Het verzoek

[verzoekster] verzet zich tegen de hoogte van het aan haar door de griffier in rekening gebrachte griffierecht. Zij voert daartoe het volgende aan.
In de onderliggende bodemzaak heeft de griffier het door [verzoekster] verschuldigde griffierecht vastgesteld op een bedrag van € 1.909,--. Op 27 mei 2015 is dit bedrag door [verzoekster] betaald. Het in rekening gebrachte griffierecht geldt voor vorderingen met een beloop van niet meer dan € 100.000,--. De vordering in de inleidende dagvaarding is echter van onbepaalde waarde, zodat het verschuldigde griffierecht vastgesteld had moeten worden op een bedrag van € 613,--. Het in de dagvaarding gevorderde bedrag van € 3.500,-- aan buitengerechtelijke kosten is een nevenvordering, die niet het belang van de zaak bepaalt. De kern van de zaak zijn twee gevorderde verklaringen voor recht. Hierdoor is er sprake van een vordering van onbepaalde waarde, aldus [verzoekster] .
De griffier concludeert tot ongegrondverklaring van het verzet. Hij voert daartoe aan dat tegen [verzoekster] meerdere vorderingen zijn ingesteld, waaronder een vordering tot betaling van een bedrag van € 3.500,-- aan buitengerechtelijke kosten. Dit onderdeel van de vordering strekt tot vergoeding van vermogensschade en maakt geen deel uit van de proceskosten. Gelet op het beloop van dit onderdeel van de vordering is op juiste gronden een bedrag van € 1.909,-- aan griffierecht in rekening gebracht, aldus de griffier.

3.De beoordeling

Artikel 29 lid 1 Wgbz Pro bepaalt dat degene die de griffierechten en verschotten heeft betaald, gedurende een maand na die betaling tegen de beslissing van de griffier tot heffing van het griffierecht of de verschotten bij verzoekschrift in verzet kan komen bij het gerecht waaraan het griffierecht of de verschotten werden betaald.
Het griffierecht is betaald op 28 mei 2015 zodat [verzoekster] met haar op 17 juni 2015 ingediende verzetschrift tijdig is verzet is gekomen.
[verzoekster] is de gedaagde partij in een door de heer [Y] bij dagvaarding van 21 april 2015 aanhangig gemaakte procedure. Naast twee verklaringen voor recht en twee veroordelingen van [verzoekster] om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis onder verbeurte van een dwangsom bepaalde werkzaamheden te verrichten, wordt een bedrag van € 3.500,-- aan buitengerechtelijke kosten gevorderd.
Artikel 10 lid 1 van Pro de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) bepaalt dat de hoogte van het griffierecht wordt bepaald aan de hand van de vordering in de dagvaarding dan wel het verzoek in het verzoekschrift of het beroepschrift.
Eén van de vorderingen strekt tot betaling van een bedrag van € 3.500,-- aan buitengerechtelijk kosten. Dergelijke kosten kunnen als vermogensschade op grond van artikel 6:96 lid 2 aanhef Pro en onder c van het Burgerlijk Wetboek worden gevorderd. Niet valt in te zien waarom deze vordering geen rol zou spelen bij de bepaling van de hoogte van het verschuldigde griffierecht. De rechtbank is van oordeel dat onder geldvordering als bedoeld in artikel 10 lid 1 Wgbz Pro moet worden verstaan het bedrag van de geldvordering met inbegrip van de buitengerechtelijk kosten.
Voor zover [verzoekster] bedoelt dat een vordering tot betaling van buitengerechtelijke kosten gezien moet worden als een nevenvordering, overweegt de rechtbank dat in de Wgbz geen onderscheid wordt gemaakt tussen hoofdvorderingen en nevenvorderingen. De vordering tot betaling van buitengerechtelijke kosten is derhalve een geldvordering die dient te worden meegenomen in de vaststelling van de hoogte van het verschuldigde griffierecht.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de griffier het juiste griffierecht in rekening heeft gebracht. Het verzet zal daarom ongegrond worden verklaard.

4.De beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2015.