Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 31 maart 2016 in de zaak tussen
[eiseres I] B.V., te [plaats ] , eiseres I,
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), verweerder
Procesverloop
Overwegingen
(eerste criterium), die erdoor wordt gekenmerkt dat de verplaatsing van de werknemer naar de lidstaat van ontvangst het doel op zich van de dienstverrichting door de dienstverlenende onderneming vormt
(tweede criterium), en waarbij de werknemer zijn taken onder toezicht en leiding van de inlenende onderneming vervult
(derde criterium).
eerstecriterium in casu niet ter discussie staat dat de vreemdelingen in dienst waren van [eiseres II] .
tweedecriterium terecht geconcludeerd dat het hier gaat om een niet-tijdelijke verplaatsing van werknemers en dat de verplaatsing van werknemers naar Nederland het doel op zich van de dienstverrichting was. Daartoe overweegt de rechtbank dat de activiteit, de pluk van champignons, naar zijn aard niet tijdelijk is, maar een continu, niet in de tijd beperkt, proces en dat ook steeds op basis van gelijkluidende aannemingsovereenkomsten champignons werden geplukt. Ter zitting is bevestigd dat iedere zes maanden een nieuwe ploeg Bulgaarse werknemers naar Nederland kwam en hetzelfde, identieke, aannemingscontract is gesloten. De werkzaamheden bleven echter gelijk. Voorts heeft verweerder van belang mogen achten dat het overgrote deel van de in het boeterapport genoemde vreemdelingen alleen door [eiseres II] in dienst is genomen ten behoeve van werkzaamheden in Nederland (het plukken van champignons). Na afloop van de werkzaamheden in Nederland wordt de overeenkomst niet voortgezet in Bulgarije. Het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van de pluk van champignons ging (vanaf 2009) ook continu door. Omdat hierbij sprake is van een continue werkproces kan niet worden geconcludeerd dat de verplaatsing van de vreemdelingen tijdelijk en bijkomstig was. Dat de werknemers wisselen doet hier niet aan af.
derde criteriumvan oordeel dat verweerder terecht heeft gesteld dat het toezicht op en de leiding over de Bulgaarse werknemers bij [eiseres I] als inlenend bedrijf berustte. De rechtbank overweegt daartoe dat de leiding over en het toezicht op de Bulgaarse werknemers weliswaar contractueel bij [eiseres II] berustte, maar dat dat op zichzelf niet doorslaggevend is. Doorslaggevend is de feitelijke situatie. Om vast te kunnen stellen bij wie feitelijk de leiding en het toezicht berustte, zijn de verklaringen behorend bij het boeterapport van belang. Daarbij is verweerder terecht uitgegaan van de eerste verklaringen van de vreemdelingen, getuigen-deskundigen en de heren [persoon B] en [persoon A] . Verweerder heeft ook terecht de verklaringen van de Belastingdienst zoals die in het boeterapport zijn opgenomen, meegenomen. Dat deze verklaringen niet op ambtseed zijn afgelegd maakt dat niet anders. Immers, uit de e-mail van 4 november 2014 van de heer [persoon C] blijkt dat de gespreksverslagen, zoals opgenomen in bijlage 37 van het boeterapport, luiden zoals deze in de boeteprocedure door de Belastingdienst zijn gebruikt.