ECLI:NL:RVS:2015:3960
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- C.M. Wissels
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vaststelling boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen na hoger beroep
De minister legde aan [appellante] een boete van €168.000,00 op wegens veertien overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De rechtbank verklaarde het beroep van [appellante] ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak onderzocht onder meer of sprake was van dienstverlening in de zin van ter beschikking stellen van arbeidskrachten en of [appellante] als werkgever in de zin van de Wav kon worden aangemerkt. Uit verklaringen en overeenkomsten bleek dat de vreemdelingen onder toezicht en leiding van [bedrijf A] werkten en dat de verplaatsing van de werknemers het doel van de dienstverlening was.
De Afdeling oordeelde dat [appellante] als feitelijk werkgever moet worden beschouwd, ondanks dat zij de werkzaamheden had uitbesteed. Verder werd geoordeeld dat de minister terecht de verklaringen van de inspectie mocht gebruiken en dat matiging van de boete niet aan de orde was gezien het ontbreken van voldoende inspanningen van [appellante] om overtredingen te voorkomen.
De Afdeling stelde de boete vast op €112.000,00, gebaseerd op een eerdere beleidsregel, en veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het hoger beroep werd gegrond verklaard en het eerdere besluit en vonnis vernietigd.
Uitkomst: De boete wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen wordt vastgesteld op €112.000,00 en het eerdere besluit en vonnis worden vernietigd.