Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 13 oktober 2016 in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. P.J. Schüller),
de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder
Procesverloop
- “Hoe ver strekt de reikwijdte van artikel 27 van Pro Verordening (EU) Nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: Vo 604/2013), al dan niet in samenhang met overweging 19 in de preambule van Vo 604/2013?
- Is in het geval de vreemdeling onder Vo 604/2013, evenals onder de werking van Vo 343/2003, in beginsel geen beroep toekomt op de onjuiste toepassing van de criteria voor het aanwijzen van de verantwoordelijke lidstaat wanneer de aangezochte lidstaat heeft ingestemd met een verzoek om overname, het uitgangspunt van verweerder juist dat dit uitgangspunt slechts uitzondering lijdt in gezinssituaties als bedoeld in artikel 7 Vo Pro 604/2013, of zijn ook andere bijzondere feiten en omstandigheden denkbaar op grond waarvan de vreemdeling een beroep toekomt op de onjuiste toepassing van de criteria voor het aanwijzen van de verantwoordelijke lidstaat?
- Indien het antwoord op vraag 2. luidt dat naast gezinssituaties ook andere omstandigheden ertoe kunnen leiden dat de vreemdeling een beroep toekomt op de onjuiste toepassing van de criteria voor het aanwijzen van de verantwoordelijke lidstaat, kunnen de feiten en omstandigheden zoals omschreven in rechtsoverweging 12 van de verwijzingsuitspraak van 2 februari 2015 dergelijke bijzondere feiten en omstandigheden vormen?”
forum shopping”, dat het Dublinsysteem beoogt te voorkomen. De rechter waarbij een dergelijk rechtsmiddel wordt ingesteld, wordt immers niet verzocht om de verantwoordelijkheid voor de behandeling van een asielverzoek op te dragen aan een lidstaat die wordt aangewezen naargelang het de verzoeker het beste schikt, maar om na te gaan of de door de Uniewetgever vastgestelde verantwoordelijkheidscriteria op juiste wijze zijn toegepast (rechtsoverweging 54).
In dit verband moet, aldus het HvJ-EU, worden opgemerkt dat de eventuele constatering dat er een fout is gemaakt geen afbreuk kan doen aan het beginsel van wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten, waarop het gemeenschappelijk Europees asielstelsel berust, daar deze constatering enkel betekent dat de lidstaat waaraan de asielzoeker moet worden overgedragen, niet de verantwoordelijke lidstaat is in de zin van de criteria van hoofdstuk III van Vo 604/2013 (rechtsoverweging 55).
Reacties van partijen
Beoordeling
Artikel 19, tweede lid, Vo 604/2013
Procedure leidend tot claimakkoord
Op zichzelf ziet de rechtbank geen doorslaggevende bezwaren tegen het zo spoedig mogelijk leggen van een Dublinclaim. Eén van de doelstellingen van Vo 604/2013 is immers een snelle vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat. Deze snelheid brengt echter het risico met zich dat vreemdelingen hun stellingen, bijvoorbeeld dat de aangezochte lidstaat ten onrechte verantwoordelijk wordt gehouden, niet tijdig met bewijsmiddelen kunnen onderbouwen, en dat verweerder die bewijsmiddelen in zijn besluitvorming niet (afdoende) betrekt. Dit risico heeft zich in onderhavig beroep verwezenlijkt en leidt de rechtbank tot het oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid.
Om tot een voldoende zorgvuldige besluitvorming te komen kan verweerder snel een Dublinclaim leggen, maar moet hij erop bedacht zijn dat ook op een later moment nog bewijsmiddelen (op een geloofwaardige wijze) kunnen worden aangekondigd of ingebracht waaruit daadwerkelijk kan volgen dat een claim ten onrechte is gelegd of, zoals in onderhavige zaak, dat mogelijk ten onrechte een claimakkoord is afgegeven door de aangezochte lidstaat. Indien zulke bewijsmiddelen worden ingebracht voor afgifte van een claimakkoord behoort verweerder deze bewijsmiddelen aan de aangezochte lidstaat na te sturen. Ook na afgifte van een claimakkoord ligt dat in de rede, al was het maar om de aangezochte lidstaat in staat te stellen artikel 19, tweede lid, van Vo 604/2013 in te roepen. Dat alles betekent niet dat verweerder langere tijd geen besluit op de asielaanvraag kan nemen. Verweerder kan zich in het kader van een besluit tot afwijzing van de asielaanvraag zelfstandig een oordeel vormen over de bewijskracht van overgelegde stukken en daarover een gemotiveerd standpunt innemen, dat vervolgens ter toetsing aan de Nederlandse rechter kan worden voorgelegd. Het standpunt van de aangezochte lidstaat hoeft daarvoor niet te worden afgewacht. Het niet doorzenden van deze bewijsmiddelen aan de aangezochte lidstaat leidt op zichzelf ook niet tot het oordeel dat het besluit tot afwijzing van de aanvraag – of thans: niet in behandeling nemen – vanwege de verantwoordelijkheid van een ander land onrechtmatig is, maar kan een rol spelen bij de vraag of het besluit voldoende zorgvuldig is voorbereid.
Voor zover verweerder heeft betoogd dat het nasturen van bewijsmiddelen onwerkbaar is, wijst de rechtbank op het arrest Karim, waaruit blijkt dat de Zweedse autoriteiten ná het claimakkoord aangevoerde bewijsmiddelen aan de Sloveense autoriteiten hebben nagezonden, waarna de Sloveense autoriteiten hun claimakkoord hebben bevestigd.
€ 496,00 en een wegingsfactor 1).
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser, begroot op € 4.336,30.