ECLI:NL:RVS:2011:BQ3788
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Vaststelling verblijf buiten lidstaten en bewijsvereisten in asielprocedure
De vreemdeling had een asielaanvraag ingediend in Nederland na eerdere afwijzingen in Noorwegen en stelde dat hij meer dan drie maanden in Afghanistan verbleef. De minister wees de aanvraag af omdat de vreemdeling zijn verblijf buiten de lidstaten niet aannemelijk had gemaakt met de vereiste bewijzen uit de Uitvoeringsverordening.
De voorzieningenrechter volgde de minister, maar de Raad van State oordeelde dat de voorzieningenrechter ten onrechte voorbijging aan de mogelijkheid dat indirecte bewijzen, zoals gedetailleerde en verifieerbare verklaringen en werkgeversverklaringen, voldoende kunnen zijn om het verblijf aannemelijk te maken. De minister had onvoldoende gemotiveerd waarom deze indirecte bewijzen niet werden erkend.
De Raad van State vernietigde het besluit van de minister wegens strijd met het motiveringsbeginsel en de Algemene wet bestuursrecht. Desondanks bepaalde de Afdeling bestuursrechtspraak dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, omdat de indirecte bewijzen niet voldoende waren om het verblijf buiten de lidstaten aannemelijk te maken. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het besluit van de minister wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.