ECLI:NL:RBDHA:2016:1101
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens hoofdverblijf elders
Eiseres ontving een bijstandsuitkering als alleenstaande. Na een melding dat haar meerderjarige zoon weer op het uitkeringsadres woonde, voerde verweerder een onderzoek uit. Uit huisbezoeken, verklaringen van buurtbewoners en een verhoor bleek dat eiseres het grootste deel van haar tijd doorbracht bij haar ex-partner in een andere plaats, waar zij een eigen kamer had.
Verweerder trok de bijstandsuitkering over november en december 2014 in en vorderde een bedrag van € 2.313,81 terug wegens het niet meer hebben van haar hoofdverblijf op het uitkeringsadres en het niet melden daarvan. Eiseres voerde aan dat zij mantelzorg verleende en haar hoofdverblijf had behouden, en dat haar verklaringen onjuist waren vastgelegd.
De rechtbank oordeelde dat de onderzoeksbevindingen en de eigen verklaringen van eiseres voldoende bewijs vormden dat haar hoofdverblijf elders was. De verklaringen waren juist vastgelegd en het feit dat zij mantelzorg verleende deed niet af aan het feit dat haar hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres was. De intrekking en terugvordering waren daarom terecht.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering wordt ongegrond verklaard.