Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Procesverloop
Overwegingen
Omdat verweerder aanneemt dat eiseres wel rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van artikel 6 van Pro Richtlijn 2004/38, heeft verweerder in het bestreden besluit nog getoetst of verblijfsbeëindiging in dit geval een evenredig middel is. Verweerder beantwoordt deze vraag bevestigend en wijst op de omstandigheid dat eiseres een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand (Wwb) heeft. Zij verblijft betrekkelijk kort in Nederland, spreekt geen Nederlands en heeft nog banden met Bulgarije. Dat haar partner in Nederland woont en haar kinderen ook, geeft verweerder geen aanleiding voor het nemen van een ander besluit. Dit besluit heeft tot gevolg dat sprake is van inmenging in het gezinsleven van eisers, maar deze inmenging is gerechtvaardigd in het belang van het economisch welzijn van Nederland en van een democratische samenleving. Volgens verweerder is er geen objectieve belemmering om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen.
a) indien hij in het gastland werknemer of zelfstandige is
b) (…);
c) (…);
d (…).
a) hij is als gevolg van ziekte of ongeval tijdelijk arbeidsongeschikt;
b) hij bevindt zich, na ten minste één jaar te hebben gewerkt, in naar behoren vastgestelde onvrijwillige werkloosheid en heeft zich als werkzoekende bij de bevoegde dienst voor arbeidsvoorziening ingeschreven;
c) (...);
d) (…).
• de inkomsten uit arbeid meer bedragen dan 50% van de toepasselijke bijstandsnorm; of
• de burger van de Unie ten minste 40% van de gebruikelijke volledige arbeidstijd werkt.
De rechtbank is van oordeel dat op grond van artikel 9, eerste lid, van de Vw, waarin de bevoegdheid van de staatssecretaris tot afgifte van een document of schriftelijke verklaring waaruit rechtmatig verblijf blijkt, is neergelegd, geldt dat de afgifte van zo’n document geen verdere strekking heeft dan dat het bestaan van rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan wordt bevestigd. De beoordeling van een beroep op artikel 8 van Pro het EVRM kan dan ook nimmer leiden tot het gevraagde document. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 3 januari 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BY8254). Eisers dienen daarom, indien zij hun aanspraak op verblijf met het oog op artikel 8 van Pro het EVRM beoordeeld wensen te zien, een daartoe strekkende aanvraag in te dienen. In aanmerking genomen dat uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat bij de op grond van artikel 8 van Pro het EVRM te verrichten belangenafweging een belangrijke plaats toekomt aan de belangen van de kinderen van de desbetreffende vreemdeling (zie onder meer het arrest van 28 juni 2011 in zaak nr. 55597/09, Nunez tegen Noorwegen, www.echr.coe.int, waarin overigens in overweging 84 is verwezen naar artikel 3 van Pro het IVRK), is zodanige aanvraag eveneens bij uitstek de gelegenheid voor de vreemdeling om, desgewenst, een beroep te doen op artikel 3 van Pro het IVRK. Hetgeen eisers ten aanzien van artikel 8 EVRM Pro en het IVRK hebben aangevoerd, behoeft dan ook geen nadere bespreking. De rechtbank overweegt ten overvloede dat verweerder in het bestreden besluit blijk heeft gegeven van een belangenafweging voorafgaand aan de intrekking, waarbij verweerder het bepaalde in artikel 8 van Pro het EVRM en artikel 3 van Pro het IVRK heeft betrokken.
De beroepsgrond slaagt niet.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;