De veroordeelde is bij onherroepelijk vonnis veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan de tenuitvoerlegging op 8 april 2014 is gestart. Hij kwam op 29 november 2015 in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling. De officier van justitie diende op 19 oktober 2015 een vordering in om deze invrijheidstelling uit te stellen of achterwege te laten, omdat de veroordeelde zich sinds 27 juli 2015 aan zijn detentie onttrekt.
Tijdens de openbare terechtzitting van 17 november 2015 was de veroordeelde niet aanwezig, maar werd hij vertegenwoordigd door zijn raadsman. De raadsman voerde aan dat de vordering niet onverwijld was ingediend, omdat er een termijn van bijna drie maanden zat tussen het onttrekken aan detentie en het indienen van de vordering, wat niet redelijk is. De officier van justitie stelde dat de veroordeelde niet mocht profiteren van deze vertraging.
De rechtbank oordeelt dat de wet en de Aanwijzing voorwaardelijke invrijheidstelling geen nadere invulling geven aan het begrip 'onverwijld', maar dat dit moet worden uitgelegd als 'zonder uitstel'. Gezien de feiten is de vordering niet onverwijld ingediend. De rechtbank past het principe toe dat bij termijnoverschrijding het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, ook al is de veroordeelde voortvluchtig.
Daarom verklaart de politierechter het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot het uitstel of achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling.