Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
3 december 2013.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een veroordeelde tegen een arrest van het Gerechtshof Leeuwarden waarin het hof de vordering van de Officier van Justitie tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling had toegewezen. De veroordeelde was eerder veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan een derde deel voorwaardelijk werd ingevuld.
De Officier van Justitie had op 21 november 2011 de vordering tot herroeping ingediend nadat het proces-verbaal van politie met betrekking tot nieuwe feiten op 6 oktober 2011 was ontvangen. De verdediging stelde dat deze indiening niet 'onverwijld' was zoals vereist in art. 15i, tweede lid, Sr, en vorderde niet-ontvankelijkheid of afwijzing.
Het hof oordeelde dat de periode van ruim zes weken tussen ontvangst proces-verbaal en indiening vordering redelijk en daarmee onverwijld was, omdat het openbaar ministerie eerst het proces-verbaal moest beoordelen en zo nodig aanvullen alvorens een vervolgingsbeslissing te nemen. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep, waarmee de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling stand hield.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling onverwijld is ingediend en verwerpt het cassatieberoep.