De rechtbank Limburg behandelde een vordering van het Openbaar Ministerie tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling van verdachte, die was veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf. De vordering was gebaseerd op een nieuwe verdenking van bedreiging jegens zijn ex-partner, gepleegd tijdens de detentie.
Tijdens de zitting gaf het Openbaar Ministerie aan dat de vordering tot uitstel was ingediend nadat een e-mail van de centrale voorziening voorwaardelijke invrijheidstelling was ontvangen, maar de rechtbank concludeerde dat het OM al vóór 20 september 2013, toen de verdachte in verzekering werd gesteld, op de hoogte was van de nieuwe verdenking en een standpunt had ingenomen.
De raadsman voerde aan dat de vordering niet onverwijld was ingediend zoals vereist in artikel 15d Sr en de eigen aanwijzingen van het OM, en dat de verdenking nog niet definitief was. De rechtbank oordeelde dat het OM de vordering niet tijdig had ingediend, ondanks dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die dit konden rechtvaardigen.
Gelet op het belang van tijdige indiening en het feit dat het OM zich later niet tegen verlof uitte, verklaarde de rechtbank de vordering niet-ontvankelijk. De beslissing werd genomen door een meervoudige kamer van de rechtbank Limburg op 22 januari 2014.