Uitspraak
Rechtbank den haag
,
Rechtbank Den Haag
Een gedetineerde vordert in kort geding dat de Staat wordt bevolen de executie van zijn detentie vanaf 24 augustus 2015 te staken, omdat hij meent dat de totale duur van zijn voorlopige hechtenis de opgelegde straf overschrijdt. Hij baseert dit op een vonnis waarin de rechtbank bepaalde dat de tijd in voorlopige hechtenis in mindering moet worden gebracht op de straf, en stelt dat het Openbaar Ministerie (OM) onrechtmatig handelt door niet aan deze beslissing te voldoen.
De rechtbank stelt vast dat het OM verplicht is tot uitvoering van door de strafrechter opgelegde straffen en niet zelfstandig mag afzien van tenuitvoerlegging, tenzij de wet dit toestaat. In deze zaak zijn de wettelijke gronden voor verrekening van voorarrest niet van toepassing, noch biedt de Aanwijzing executie het OM de bevoegdheid om de executie te staken.
De rechtbank concludeert dat de voorlopige hechtenis niet met terugwerkende kracht kan worden opgeheven en dat de vordering van de gedetineerde daarom moet worden afgewezen. Tevens wordt de gedetineerde veroordeeld in de proceskosten. De beslissing bevestigt de strikte wettelijke kaders voor executie van strafrechtelijke beslissingen en de beperkte ruimte voor het OM om daarvan af te wijken.
Uitkomst: De vordering tot staken van de executie van de detentie wordt afgewezen en de gedetineerde wordt veroordeeld in de proceskosten.