ECLI:NL:RBDHA:2014:6012
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- H.J. Schaberg
- M.J. van den Bergh
- A.E.J.M. Gielen
- Rechtspraak.nl
Rechtmatigheid van onderscheid Kinderpardonregeling tussen asiel- en reguliere verblijfsaanvragen
Eisers, vreemdelingen met een reguliere verblijfsaanvraag die is afgewezen, betwisten het onderscheid dat de Kinderpardonregeling maakt tussen asielzoekers en andere vreemdelingen. Zij voldoen niet aan de voorwaarden van de regeling omdat zij geen asielaanvraag hebben ingediend. De rechtbank onderzoekt of dit onderscheid in strijd is met artikel 14 EVRM Pro en andere discriminatiebepalingen.
De rechtbank stelt vast dat eisers zich binnen de reikwijdte van artikel 8 EVRM Pro bevinden en dat het onderscheid een aanwijsbaar kenmerk betreft, namelijk de verblijfsrechtelijke achtergrond. De beoordelingsvrijheid van de overheid wordt erkend, waarbij het onderscheid niet onder de 'very weighty reasons'-toets valt maar wel een zekere mate van toetsing vereist. Verweerder heeft een objectieve en redelijke rechtvaardiging gegeven, onder meer vanwege internationale verplichtingen en de verantwoordelijkheid voor asielzoekers in opvangcentra.
De rechtbank vindt het onderscheid niet disproportioneel in het geval van eiser, ondanks diens persoonlijke omstandigheden. Wel oordeelt de rechtbank dat de hoorplicht is geschonden vanwege de complexiteit van het geschil en dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen van eisers. De beroepen worden daarom gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: De beroepen worden gegrond verklaard wegens schending van de hoorplicht, besluiten worden vernietigd maar rechtsgevolgen blijven in stand.