ECLI:NL:RBDHA:2014:13031
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling oplegging inreisverbod van tien jaar na afwijzing verblijfsvergunning asiel
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie om hem een inreisverbod van tien jaar op te leggen, nadat zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel was afgewezen op grond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. De rechtbank stelt vast dat het terugkeerbesluit rechtsgeldig is en als grondslag kan dienen voor het inreisverbod, ondanks de stelling van eiser dat zijn vertrekplicht feitelijk is opgeschort.
Eiser voerde aan dat het inreisverbod feitelijk onbepaalde duur heeft omdat hij Nederland niet kan verlaten, en dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd omtrent de kwalificatie van eiser als ernstige bedreiging van de openbare orde. De rechtbank volgt deze argumenten niet, verwijzend naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) en het internationale recht dat de ernst van eisers gedragingen onderstreept.
Ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro, waarin eiser wijst op zijn gezinsleven met een Nederlandse echtgenote en kinderen, wordt verworpen. De rechtbank oordeelt dat het belang van de openbare orde en de ernst van de gedragingen van eiser zwaarder wegen dan het gezinsleven, mede gelet op de veroordeling wegens opiumdelicten en deelname aan een criminele organisatie.
De rechtbank concludeert dat het inreisverbod van tien jaar rechtmatig is opgelegd en dat het beroep ongegrond is. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het inreisverbod van tien jaar wordt ongegrond verklaard.