Uitspraak
(gemachtigde: [A]),
de inspecteur van de Belastingdienst[te P], verweerder.
Zitting
Beslissing
Overwegingen
Op 8 maart 2011 heeft eiseres het totaalbedrag van de aangifte en van de naheffingsaanslag van € 1.149 voldaan.
Rechtbank Den Haag
Eiseres heeft in januari 2011 aangifte gedaan voor de belasting van personenauto's en motorrijwielen (BPM) ter zake van de registratie van een Renault Clio. Verweerder legde een naheffingsaanslag op omdat de verschuldigde BPM hoger was dan het aangegeven bedrag. Eiseres betaalde het bedrag van de aangifte en de naheffingsaanslag.
De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen de voldoening op aangifte niet-ontvankelijk was vanwege het ontbreken van een procesbelang. Het geschil betrof de rechtmatigheid van de naheffingsaanslag en de vraag of een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn moest worden toegekend.
De rechtbank verwees naar een arrest van de Hoge Raad dat bevestigt dat de inspecteur een naheffingsaanslag mag opleggen als het betaalde bedrag lager is dan verschuldigd, ook als de registratie later plaatsvindt. De naheffingsaanslag was gebaseerd op een afschrijvingstabel en werd niet betwist door eiseres. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding stelde de rechtbank vast dat de totale behandelingsduur van ruim twee jaar en drie maanden deels voor rekening van eiseres kwam vanwege late motivering van bezwaar en beroep. Hierdoor was de redelijke termijn niet overschreden en werd het verzoek afgewezen.
De rechtbank zag geen aanleiding voor proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter G.J. Ebbeling op 1 juli 2013.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM is ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding is afgewezen.