ECLI:NL:RBBRE:2011:BU5272
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging navorderingsaanslagen wegens overschrijding noodzakelijke termijn voor inlichtingen
De rechtbank Breda behandelde een zaak waarin de erven van een belastingplichtige beroep deden tegen navorderingsaanslagen opgelegd door de inspecteur van de Belastingdienst. De aanslagen betroffen inkomstenbelasting en vermogensbelasting over meerdere jaren, waarbij het ging om buitenlandse spaartegoeden bij de Deutsche Bank.
De Hoge Raad had de zaak verwezen naar de rechtbank Breda na prejudiciële vragen over de toepassing van artikel 16, lid 4, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in combinatie met Europese regelgeving. De kernvraag was of de inspecteur de termijn die noodzakelijk is voor het verkrijgen van inlichtingen overschreden had.
De rechtbank stelde vast dat de inspecteur pas na een onvolledig eerste informatieverzoek een tweede verzoek deed, wat leidde tot een aanzienlijke vertraging. Deze vertraging was niet noodzakelijk en er waren geen afspraken met belanghebbenden over deze termijnverlenging. Hierdoor was de navorderingstermijn onrechtmatig verlengd.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de navorderingsaanslagen en de heffingsrente, en veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van proceskosten aan belanghebbenden.
Uitkomst: De navorderingsaanslagen worden vernietigd wegens overschrijding van de noodzakelijke termijn voor het verkrijgen van inlichtingen.