ECLI:NL:RBBRE:2011:BP5321
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bijtelling privégebruik auto en dwangsom in inkomstenbelasting 2005
Belanghebbende, directeur en enig werknemer van een BV, kreeg in 2005 verschillende auto’s van de BV ter beschikking gesteld. De inspecteur legde een bijtelling privégebruik auto op, gebaseerd op cataloguswaarden en het vermoeden dat de auto’s meer dan 500 kilometer privé werden gebruikt. Belanghebbende voerde aan dat hij minder dan 500 privékilometers had gereden en ondersteunde dit met een rittenregistratie, verklaringen en een goedkeuring van een latere periode door het Coördinatiepunt.
De rechtbank oordeelde dat de inspecteur aannemelijk had gemaakt dat de auto’s ter beschikking waren gesteld en dat belanghebbende onvoldoende overtuigend bewijs had geleverd dat het privégebruik binnen de 500 kilometer bleef. De rittenregistratie voldeed niet aan de formele eisen en vertoonde onduidelijkheden en inconsistenties. Verklaringen van belanghebbende en derden werden als onvoldoende betrouwbaar beoordeeld.
Daarnaast stelde belanghebbende dat hij recht had op een dwangsom wegens niet tijdig beslissen op bezwaar. De rechtbank stelde vast dat het bezwaar vóór 1 oktober 2009 was ingediend en dat de oude regeling van toepassing was, die geen dwangsom voorziet. Daarom was de inspecteur geen dwangsom verschuldigd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de bijtelling privégebruik auto en het verzoek om dwangsom wordt ongegrond verklaard.