ECLI:NL:HR:2010:BO1395
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- J.W.M. Tijnagel
- A.H.T. Heisterkamp
- M.W.C. Feteris
- R.J. Koopman
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over bewijsvereisten privégebruik auto voor belastingaanslag
Belanghebbende, werkzaam bij een autoverhuur- en leasebedrijf, kreeg in 2004 auto's ter beschikking gesteld, ook voor privégebruik. De Belastingdienst legde een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen op, die na bezwaar werd verminderd. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en verminderde de aanslag verder, maar het hof vernietigde deze uitspraak en bevestigde de aanslag.
In cassatie stond centraal of het voordeel uit privégebruik van de auto's op nihil kon worden gesteld op grond van artikel 3:145 Wet Pro IB 2001, waarbij het hof oordeelde dat de rittenadministratie niet voldeed aan de wettelijke eisen en dat belanghebbende geen aanvullend bewijs had geleverd. De Hoge Raad oordeelde echter dat verklaringen van de belastingplichtige als aanvullend bewijsmiddel niet uitgesloten zijn en dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat alleen schriftelijke stukken als bewijs konden dienen.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep gegrond, vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak terug voor een hernieuwde beoordeling van het bewijs. Tevens werd het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling van het bewijs.