ECLI:NL:RBBRE:2009:BK1626
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- G.H.C. Blommers
- A.F.M.Q. Beukers-van Dooren
- C.A.F.M. Stassen
- Rechtspraak.nl
Vestigingsplaats holding en vennootschapsbelasting bij grensoverschrijdende situatie
Belanghebbende, een houdstermaatschappij opgericht naar Nederlands recht, had haar zetel en feitelijke leiding verplaatst naar België, waar de directeur-grootaandeelhouder woonde. De inspecteur stelde dat belanghebbende in Nederland belastingplichtig bleef omdat de werkelijke leiding daar zou zijn. De rechtbank onderzocht de feiten, waaronder verklaringen van de directeur en boekhouder, en concludeerde dat het zwaartepunt van de beslissingen en feitelijke leiding in België lag.
De rechtbank nam mee dat hoewel administratieve handelingen en postverwerking in Nederland plaatsvonden, de belangrijke beslissingen over beleggingsbeleid, jaarstukken en aangiften in België werden genomen. De dochtervennootschap bleef in Nederland gevestigd, maar dat bracht niet mee dat de houdstermaatschappij zelf in Nederland werd geleid.
Op grond van het belastingverdrag tussen Nederland en België en de bewijsvoering stelde de rechtbank vast dat belanghebbende inwoner was van beide staten, maar geacht moest worden inwoner te zijn van de staat waar de werkelijke leiding was, namelijk België. De aanslag vennootschapsbelasting werd daarom verminderd en het beroep van belanghebbende gegrond verklaard.
De rechtbank veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vermindert de aanslag vennootschapsbelasting omdat de feitelijke leiding van belanghebbende in België is gevestigd.