ECLI:NL:RBBRE:2009:BI0235
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Navordering inkomstenbelasting niet gerechtvaardigd wegens gebrek aan nieuw feit bij vruchtgebruiktransacties
Belanghebbende, directeur-grootaandeelhouder van een BV, had in 1993 en 2000 vruchtgebruikrechten gevestigd op onroerende zaken ten gunste van zijn BV's. Deze transacties werden niet in zijn aangifte inkomstenbelasting vermeld, maar wel in de vennootschapsbelasting van de BV's. De inspecteur stelde een navorderingsaanslag op wegens niet aangegeven waardeaangroei en koopsom van vruchtgebruik, en verhoogde het inkomen ook wegens privégebruik auto.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur bij een juiste toepassing van de geïntegreerde werkwijze van de Belastingdienst ten tijde van de primitieve aanslag al op de hoogte had kunnen zijn van de vruchtgebruiktransacties. Daarom is er geen nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. Ook is onvoldoende bewijs voor kwade trouw van belanghebbende, slechts onachtzaamheid van zijn adviseur.
Wel is vastgesteld dat de verkoop van aandelen in de BV in 2000 een nieuw feit vormt, omdat de inspecteur hiervan pas in 2004 kennis kreeg. De rechtbank bepaalt dat de winst uit deze verkoop in 2000 belastbaar is, ondanks een ontbindende voorwaarde in de overeenkomst. De navorderingsaanslag wordt daarom verminderd, waarbij het belastbaar inkomen wordt aangepast en de inspecteur wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De navorderingsaanslag wordt verminderd wegens ontbreken nieuw feit bij vruchtgebruiktransacties, maar navordering is gerechtvaardigd voor de aandelenverkoop in 2000.