ECLI:NL:RBBRE:2008:BG6295
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Geen schenking ter zake des doods bij onderhandse schuldigerkenningen zonder opeisbaarheidsbepaling
De erflaatster heeft gedurende haar leven bedragen geschonken aan haar kinderen via onderhandse schuldigerkenningen zonder notariële akten of bepalingen over opeisbaarheid. Ongeveer twee derde van deze bedragen is tijdens haar leven afgelost. De inspecteur kwalificeerde de nog openstaande schuldigerkenningen als schenkingen ter zake des doods en corrigeerde de aftrek van deze schulden op de nalatenschap.
De rechtbank heeft onderzocht of sprake is van schenkingen ter zake des doods zoals bedoeld in artikel 7:177 BW Pro. Gelet op het ontbreken van bepalingen omtrent opeisbaarheid, de feitelijke aflossingen tijdens leven en de gedragingen van partijen, concludeert de rechtbank dat de schenkingen niet de strekking hadden pas na overlijden te worden uitgevoerd. Ook het argument van de inspecteur dat de leeftijd van de erflaatster en de rentebetalingen duiden op een schenking ter zake des doods, wordt verworpen.
Verder oordeelt de rechtbank dat op grond van het overgangsrecht ook schuldigerkenningen van vóór 1 januari 2003 rechtsgeldig zijn, omdat partijen deze steeds als geldig hebben aangemerkt. De aanslag wordt verminderd tot een verkrijging van € 105.872 en het beroep wordt gegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vermindert de aanslag successierecht omdat geen sprake is van schenkingen ter zake des doods.