ECLI:NL:RBBRE:2008:BG2045
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Belastingrechtelijke beoordeling lening aan vereniging en negatief resultaat uit overige werkzaamheden
Belanghebbende heeft tussen 1996 en 2003 in totaal € 39.626 geleend aan een vereniging die een parenclub exploiteerde. Deze vereniging werd eind 2003 ontbonden en uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel. Belanghebbende was bestuurder van deze vereniging. De kern van het geschil was of belanghebbende in 2004 een negatief resultaat uit overige werkzaamheden ter zake van deze vordering kon aanmerken.
De rechtbank oordeelde dat het hebben van de vordering niet gelijkgesteld kan worden aan het ter beschikking stellen van vermogen aan een vennootschap zoals bedoeld in artikel 3.92 van de Wet IB 2001. Ook was er geen sprake van ter beschikking stellen in de zin van artikel 3.91, lid 1, letter c. De vereniging kwalificeerde niet als vennootschap en er was geen verbonden persoon betrokken.
Echter, de rechtbank stelde vast dat de aanslagregeling over de jaren 2002 en 2003 door de inspecteur was vastgesteld in overeenstemming met de aangiften waarin rente op de lening als resultaat uit ter beschikking stellen van vermogen was opgegeven. Dit leidde tot opgewekt vertrouwen bij belanghebbende dat hij het negatieve resultaat in 2004 mocht verrekenen.
Daarom werd de aanslag over 2004 verminderd en het verlies uit werk en woning vastgesteld op € 19.921. Tevens werd de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en het betaalde griffierecht werd vergoed. Tegen deze uitspraak kon hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: De rechtbank vermindert de aanslag 2004 en stelt het negatieve resultaat uit overige werkzaamheden ter zake van de lening aan de vereniging vast.