ECLI:NL:RBBRE:2008:BD6009
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- A.F.M.Q. Beukers-van Dooren
- A.A. den Hartog
- I.J.F.A. van Vijfeijken
- Rechtspraak.nl
Toepassing bedrijfsopvolgingsfaciliteit op vordering binnen nalatenschap aandelen B.V.
Belanghebbende en haar zuster zijn erfgenamen van hun overleden tante, wier nalatenschap onder meer bestond uit aandelen in een B.V. De bedrijfsopvolgingsfaciliteit van de Successiewet wordt op deze aandelen toegepast. Tot de activa van de B.V. behoort een aanzienlijke vordering op een van haar deelnemingen, waarbij de B.V. alle preferente aandelen in die deelneming bezit.
De inspecteur kwalificeerde deze vordering als beleggingsvermogen, waardoor de bedrijfsopvolgingsfaciliteit op dat deel niet van toepassing is. Belanghebbende betwist dit en stelt dat de drempel van artikel 7a, eerste lid, Uitvoeringsregeling Successiewet (UR SW) moet worden berekend over 15% van de totale activa van de B.V., terwijl de inspecteur dit over 15% van de waarde van de aandelen doet.
De rechtbank stelt vast dat de vordering is ontstaan door overdracht van aandelen en verhuurde panden die beleggingsvermogen vormden. De omzetting van deze activa in een vordering betekent dat het ene beleggingsactief is vervangen door een ander, en dat er op de sterfdatum geen verandering van karakter van het activum heeft plaatsgevonden. Daarom moet de vordering als beleggingsvermogen worden aangemerkt.
Verder oordeelt de rechtbank dat de drempelberekening moet plaatsvinden over de waarde van de aandelen en niet over de activa van de B.V. De aanslag wordt verminderd omdat een belastingschuld wordt toegerekend aan het beleggingsvermogen, waardoor het belastbare bedrag lager wordt. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak op bezwaar en vermindert de aanslag overeenkomstig.
Uitkomst: De aanslag successierecht wordt verminderd omdat de vordering als beleggingsvermogen wordt aangemerkt en de drempel wordt berekend over de waarde van de aandelen.