ECLI:NL:RBBRE:2008:BD1346
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening inzake BPM-heffing bij invoer incourante gebruikte auto
Belanghebbende, een BV die gebruikte auto's importeert uit Duitsland, betwist de wijze waarop de inspecteur de BPM (belasting personenauto's en motorrijwielen) vaststelt. Belanghebbende baseert de BPM-aangifte op taxatierapporten die uitgaan van de in Duitsland betaalde inkoopprijs, terwijl de inspecteur deze rapporten niet accepteert en overgaat tot hertaxatie, waardoor hogere BPM-bedragen worden vastgesteld.
Belanghebbende verzoekt de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening die haar toestaat BPM te voldoen op basis van de buitenlandse inkoopprijs en de inspecteur verbiedt tot hertaxaties over te gaan. De voorzieningenrechter oordeelt echter dat de procedure niet geschikt is om de rechtmatigheid van de inspecteur's handelswijze te beoordelen en wijst het verzoek af.
De voorzieningenrechter benadrukt dat het uitgangspunt van belanghebbende, dat de in Duitsland betaalde prijs als basis dient, in het algemeen niet juist is, conform een arrest van de Hoge Raad. Wel is er sprake van een belemmering van de bedrijfsvoering door de vertragingen die ontstaan door het niet accepteren van de aangifte. Voor een inhoudelijke beoordeling wordt verwezen naar de bodemprocedure, waarin ook een schadevergoeding kan worden gevraagd.
Er zijn afspraken gemaakt over versnelde behandeling en mogelijke voorlegging aan de Hoge Raad. De voorlopige voorziening wordt afgewezen en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen; belanghebbende mag niet op basis van de Duitse inkoopprijs BPM-aangifte doen en de inspecteur mag hertaxaties uitvoeren.