ECLI:NL:RBBRE:2007:BI6345
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen afwaardering vordering in belastingaanslag 2002
Belanghebbende had sinds 1992 een vordering op een BV waarvan de aandelen in handen waren van zijn vader. Door een langdurige familiegeschil ontving belanghebbende geen informatie over de financiële positie van de BV’s. In 2002 bleek de vordering waardeloos te zijn geworden.
Het geschil betrof de vraag of de afwaardering van deze vordering terecht ten laste van het belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) was gebracht, waarbij belanghebbende stelde dat de schuld was overgedragen aan een andere BV. De rechtbank oordeelde dat geen rechtsgeldige overdracht had plaatsgevonden omdat belanghebbende niet was geïnformeerd, zoals vereist volgens het Burgerlijk Wetboek.
Daarom bleef de vordering op de oorspronkelijke BV bestaan en kon deze niet als een vordering in de zin van artikel 3.92 Wet IB 2001 worden aangemerkt. De afwaardering kon niet als verlies uit werk en woning worden verwerkt, maar moest worden meegenomen in box 3. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag inkomstenbelasting 2002 wordt ongegrond verklaard omdat geen rechtsgeldige schuldoverdracht is aangetoond.