ECLI:NL:RBBRE:2001:AD7056
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Volkers
- Rechtspraak.nl
Recht op WW-uitkering en fictieve opzegtermijn bij werknemer van 45 jaar of ouder
Eiser was sinds 1 juni 1988 in dienst bij zijn werkgever en kreeg per 29 augustus 2000 opzegging van zijn arbeidsovereenkomst. Verweerder stelde dat de opzegtermijn volgens de CAO voor werknemers van 45 jaar of ouder een overgangsregeling bevat die de oude, langere opzegtermijn toepast, waardoor de WW-uitkering pas per 1 december 2000 zou ingaan.
De rechtbank stelde vast dat de CAO slechts het geldende recht weergeeft en dat de overgangsregeling uit artikel XXI van de Flexwet niet als een schriftelijke verlenging van de opzegtermijn in de zin van artikel 7:672, vijfde lid BW kan worden gezien. De Centrale Raad van Beroep had eerder bepaald dat deze overgangsregeling buiten beschouwing moet blijven bij de fictieve opzegtermijn voor WW.
De rechtbank berekende de opzegtermijn op basis van artikel 7:672 BW Pro, met inachtneming van de verkorting wegens toestemming van de directeur Arbeidsvoorziening en de aanzegtermijn tegen het einde van de maand. Dit leidde tot een fictieve opzegtermijn die eindigt op 31 oktober 2000. Omdat eiser over 1 tot en met 15 november 2000 loon ontving, was hij pas vanaf 16 november 2000 werkloos in de zin van de WW en had hij vanaf die datum recht op WW-uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het griffierecht aan eiser vergoed.
Uitkomst: De rechtbank bepaalt dat eiser recht heeft op WW-uitkering vanaf 16 november 2000 en vernietigt het bestreden besluit.