ECLI:NL:RBAMS:2026:7677

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
C/13/788013 / HA ZA 26-463
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:7 BWArt. 2:10 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot vrijwaring bestuurders Stichting Welzijn voor Moslims in Nederland

Stichting Welzijn voor Moslims in Nederland (SWM) vorderde in deze vrijwaringszaak dat de voormalige bestuurders, [gedaagde 1] en [gedaagde 2], hoofdelijk werden veroordeeld tot betaling van het bedrag waartoe SWM in een hoofdzaak was veroordeeld, alsmede de proceskosten. SWM stelde dat de bestuurders hun statutaire en wettelijke verplichtingen hadden geschonden door het ondertekenen van Karz Hasana documenten voor renteloze geldleningen die niet goed waren verantwoord.

De rechtbank overwoog dat SWM in de hoofdzaak veroordeeld was tot betaling van geldsommen aan de kinderen van [gedaagde 1] ter aflossing van renteloze geldleningen. Dit betekende dat SWM een contractuele verplichting moest nakomen, wat op zichzelf geen schade oplevert die tot een vrijwaringsvordering kan leiden. De stellingen van SWM over schending van bestuurdersverplichtingen waren onvoldoende om aan te tonen dat er schade was geleden die door de bestuurders moest worden vergoed.

Verder oordeelde de rechtbank dat de overige schadeposten, zoals wettelijke rente en incassokosten, niet aan de bestuurders konden worden toegerekend omdat zij in 2023 geen bestuurders meer waren en SWM zelf had gekozen haar verplichtingen niet na te komen. De vorderingen van SWM werden daarom afgewezen en SWM werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot vrijwaring van de bestuurders af en veroordeelt SWM in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/788013 / HA ZA 26-463
Vonnis van 15 juli 2026
in de zaak van
STICHTING WELZIJN VOOR MOSLIMS IN NEDERLAND,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: SWM,
advocaat: mr. O.J. Hennis,
tegen

1.[gedaagde 1] ,2. [gedaagde 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ,
advocaat: mr. E. Doornbos.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure (hierna: Vrijwaringszaak) blijkt uit:
- het procesdossier in de zaak C/13/758611 HA ZA 24-1179 waarin is opgenomen:
o de dagvaardingen (in vrijwaring) van 22 oktober 2024, met producties,
o de conclusie van antwoord met producties,
o het tussenvonnis van 5 februari 2025 waarin een mondelinge behandeling is gelast,
o het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling gehouden op 10 april 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
o de verwijzing van de zaak naar de parkeerrol in afwachting van mediation tussen partijen in de hoofdzaak (C/13/752710 HA ZA 24-683, zaak- en rolnummer van de opgebrachte zaak C/13/752710 HA ZA 24-683, hierna: Hoofdzaak) en tussen partijen in deze Vrijwaringszaak,
o de ambtshalve doorhaling van de zaak op de parkeerrol van 1 oktober 2025,
- het vonnis van 6 mei 2026 [1] in de Hoofdzaak,
- het B-formulier van 19 mei 2026 van SWM met het verzoek de doorgehaalde vrijwaringszaak op te brengen en op de rol te plaatsen voor vonnis.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald. Omdat dat de zaak eerder was doorgehaald is een nieuw rolnummer aangemaakt wat boven aan dit vonnis is vermeld.
1.3.
De mondelinge behandeling van beide zaken heeft gelijktijdig plaatsgevonden. De Hoofdzaak is op verzoek van partijen in die zaak naar de parkeerrol verwezen en vervolgens doorgehaald. Dit treft dan ook de Vrijwaringszaak. Op 8 december 2025 hebben de eisers in de hoofdzaak gevraagd die procedure op te brengen en voor vonnis op de rol te plaatsen. Dit betreft niet de Vrijwaringszaak omdat eisers in de hoofdzaak daarin geen partij zijn. SWM heeft toen geen verzoek gedaan voor het opbrengen van de Vrijwaringszaak. Daarom is op 6 mei 2026 slechts vonnis gewezen in de hoofdzaak.

2.De feiten

2.1.
SWM is een stichting die onder meer de Taibah Moskee te Amsterdam beheert. [naam 1] , [gedaagde 1] (de schoonzoon van [naam 1] ) en [gedaagde 2] (zoon van [naam 1] ) hebben vanaf 24 april 2012 tot 8 april 2020 het dagelijks bestuur van SWM gevormd als respectievelijk [functie 1], [functie 2] en [functie 3].
2.2.
Op 12 januari 2020 hebben [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [naam 2] een vijftal Karz Hasana documenten opgesteld en ondertekend of van paraaf voorzien.
2.2.1.
In ieder van die documenten verklaart SWM een lening (Karz Hasana) te zijn aangegaan met een van de kinderen van [gedaagde 1] , ten behoeve van de bouw
“Djame Masdjied ‘TAIBAH’ te Amsterdam”.
2.2.2.
In de Karz Hasana documenten is ook vermeld dat het geld
“ontvangen onder leiding van [naam 1] , [naam 2] , [gedaagde 2] , [gedaagde 1] ”. De laatste drie hebben hun paraaf onder de tekstregel met hun namen geplaatst.
2.2.3.
[gedaagde 1] heeft ieder van de bedoelde Karz Hasana documenten als [functie 2] van SWM ondertekend.
2.3.
[naam 1] is op 8 april 2020 overleden. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn op 8 december 2021 ontslagen als bestuurder van SWM. Dit ontslag is in stand gebleven in het vonnis van 22 februari 2023 van deze rechtbank [2] .
2.4.
Bij vonnis van 6 mei 2026 van deze rechtbank in de Hoofdzaak is SWM veroordeeld tot betaling van geldsommen aan de vijf kinderen van [gedaagde 1] .

3.Het geschil

3.1.
SWM vordert veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad hoofdelijk te veroordelen tot betaling van
I. een bedrag gelijk aan het bedrag waartoe SWM is veroordeeld in de hoofdzaak te betalen aan de eisers in die hoofdzaak, althans een in goede justitie te bepalen bedrag,
II. de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na heden.
3.2.
SWM stelt daartoe – kort gezegd – dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als bestuurders van SWM hun statutaire en wettelijke verplichtingen hebben geschonden. Op 12 januari 2020 hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de Karz Hasana formulieren voor de vermeende geldleningen door de kinderen van [gedaagde 1] aan SWM (de Karz Hasana documenten) ondertekend. Dat is onjuist omdat niet zeker is geweest dat namens die kinderen betalingen aan SWM zijn verricht dan wel zijn ontvangen door SWM. In de administratie die [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben achtergelaten kan SWM dergelijke betalingen niet terugvinden. Daaruit volgt ook dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hun administratieve verplichtingen jegens SWM hebben geschonden (artikel 2:10 BW Pro). Het is mogelijk dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de geldleningen hebben aanvaard op een moment dat het gehele bestuur van SWM daarover moest beslissen, omdat het dagelijks bestuur van SWM op dat moment slechts bestond uit [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Vereist is dat het dagelijks bestuur compleet is (drie personen) om een SWM bindende overeenkomst te sluiten. Omdat de beweerde geldleningen zijn verstrekt door de kinderen van [gedaagde 1] , de neven en nichten van [gedaagde 2] is er een tegenstrijdig belang bij de vertegenwoordiging van SWM door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Daar hebben ze geen rekening mee gehouden. Zij hadden het voltallige bestuur moeten betrekken bij het opstellen en ondertekenen van de Karz Hasana documenten van 12 januari 2020. Het ondertekenen van de Karz Hasana documenten ten behoeve van de kinderen van [gedaagde 1] was onverantwoord. De genoemde geldbedragen konden op dat moment niet worden betaald door SWM. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben het eventueel ontvangen geld namens de kinderen van [gedaagde 1] kennelijk uitgegeven aan andere doeleinden dan de kosten en lasten die SWM heeft. Dat valt buiten de doelomschrijving van SWM (artikel 2:7 BW Pro). Mogelijk heeft [gedaagde 1] deze constructie gebruikt om de geldbedragen uit de financiën of het vermogen van zijn gezin te houden, aldus steeds SWM.
3.3.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren – kort gezegd – aan dat in de Hoofdzaak is gevorderd SWM te veroordelen tot aflossing van renteloze geldleningen. SWM heeft bij een toewijzend vonnis dus geen schade geleden door de veroordeling tot aflossing van die geldleningen, aldus steeds [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
In een vrijwaring kunnen gedaagden (hier [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ) worden veroordeeld tot vergoeding van de nadelige gevolgen die de eiser in vrijwaring (hier SWM) heeft door een veroordeling in de Hoofdzaak indien er een grondslag bestaat die maakt dat de gedaagden jegens de eiser gehouden zijn die nadelige gevolgen weg te nemen. In dit geval gaat het om de vraag of SWM nadelige gevolgen heeft van de veroordelingen in het vonnis van 6 mei 2026 in de hoofdzaak.
4.2.
In het vonnis van 6 mei 2026 in de Hoofdzaak is SWM veroordeeld tot (i) betaling van geldsommen aan de kinderen van [gedaagde 1] , (ii) te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 20 juli 2023 en (iii) de buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.
(i) veroordeling tot betaling geldsommen aan de kinderen van [gedaagde 1]
4.3.
SWM is in het vonnis van 6 mei 2026 in de hoofdzaak veroordeeld tot betaling van die geldsommen ter aflossing van de namens ieder kind van [gedaagde 1] verstrekte renteloze geldlening aan SWM. Anders gezegd: SWM is veroordeeld tot nakoming van haar aflossingsverplichting uit renteloze geldleningsovereenkomsten tussen haar en de kinderen van [gedaagde 1] .
4.4.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben betoogd dat de namens de kinderen van [gedaagde 1] verstrekte geldbedragen in het vermogen van SWM zijn gestort, dat SWM over die geldbedragen heeft kunnen beschikken en dat SWM geen rente heeft hoeven te betalen over de uitgeleende geldbedragen. Verder hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ter zitting onweersproken betoogd dat SWM in de hoofdzaak heeft erkend dat een geldlening op een gegeven moment dient te worden afgelost aan de geldverstrekker.
4.5.
De standpunten van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] over de betalingen, de ontvangst daarvan door SWM en dat renteloze geldleningen zijn verstrekt zijn onvoldoende gemotiveerd betwist door SWM. In de hoofdzaak zijn die verweren van SWM ook verworpen. Daarom dient ook in deze Vrijwaringszaak tot uitgangspunt de juistheid van het hier bedoelde betoog van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Daaruit volgt dat SWM haar beweerde schade als gevolg van het aflossen van de aan haar verstrekte geldleningen, onvoldoende heeft onderbouwd. Anders gezegd: SWM is veroordeeld om een lening terug te betalen en dus om iets te doen waartoe zij op basis van een gesloten overeenkomst gehouden was. Dit is geen schade en leidt op zichzelf dus ook niet tot een aanspraak van SWM jegens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in deze Vrijwaringszaak. Daar is meer voor nodig.
4.6.
Het beroep van SWM op de wettelijke en statutaire verplichtingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] (als bestuurders van SWM) is daarvoor onvoldoende. De stellingen van SWM over die wettelijke en statutaire verplichtingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gaan allemaal over hun handelingen bij de renteloze geldleningen die centraal staan in de Hoofdzaak. Zelfs als aannemelijk zou zijn dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in strijd met een wettelijke en statutaire verplichting jegens SWM hebben gehandeld door de betalingen aan SWM namens de vijf kinderen van [gedaagde 1] te accepteren als een renteloze geldlening, betekent dat niet dat SWM schade heeft geleden en – zoals hierboven al is overwogen – en dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gehouden zijn te betalen aan SWM.
4.7.
De stelling van SWM dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de ontvangen geldsommen hebben aangewend voor een ander doel dan de doelomschrijving van SWM blijkt uit niets. SWM heeft ook nagelaten feiten en omstandigheden te stellen die een dergelijk verwijt kunnen staven. Dit geldt eveneens voor de niet onderbouwde bewering van SWM dat [gedaagde 1] en zijn echtgenote slechts betalingen aan SWM hebben verricht om die geldsommen tijdelijk uit het familievermogen te houden.
4.8.
SWM heeft geen andere feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat zij schade heeft geleden als gevolg van de renteloze geldleningen die namens de kinderen van [gedaagde 1] aan haar zijn verstrekt of die een grondslag oplevert om [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen aan SWM te betalen waartoe SMW in de Hoofdzaak is veroordeeld.
(ii) en (iii) overige veroordelingen
4.9.
Naast de veroordeling tot aflossing van de verstrekte geldleningen is SWM in het vonnis van 6 mei 2026 in de Hoofdzaak veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro) vanaf 20 juli 2023 over de aan haar verstrekte geldleningen, de buitengerechtelijke incassokosten (te vermeerderen met de wettelijke rente) en de proceskosten die de kinderen van [gedaagde 1] hebben gemaakt voor het verkrijgen van voldoening van hun vorderingen. Dit zijn allemaal schadeposten voor SWM en dus nadelige gevolgen van het vonnis van 6 mei 2026 in de Hoofdzaak.
4.10.
Daarvoor zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 2] echter niet aansprakelijk omdat zij in 2023 geen bestuurders van SWM waren en SWM toen heeft gekozen haar aflossingsverplichting uit de geldleningen met de kinderen van [gedaagde 1] niet na te komen. De hier bedoelde schadeposten zijn dus het gevolg van die keuze van SWM in 2023 en niet van het handelen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als voormalige bestuurders van SWM. Deze nadelige gevolgen van SWM van het vonnis van 6 mei 2026 in de Hoofdzaak kunnen dus niet worden afgewenteld op [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .
slotsom en proceskosten
4.11.
Uit al het voorgaande volgt dat de stellingen van SWM niet slagen, zodat haar vorderingen op [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in deze Vrijwaringszaak worden afgewezen.
4.12.
SWM is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden begroot op:
- griffierecht
2.026
- salaris advocaat
5.77
(2 punten × € 2.885)
- nakosten
189
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
7.985

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van SWM af,
5.2.
veroordeelt SWM in de proceskosten van € 7.985, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als SWM niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff, rechter, bijgestaan door mr. R.E.R. Verloo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.

Voetnoten

1.Rechtbank Amsterdam, 6 mei 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:4848
2.Rechtbank Amsterdam, 22 februari 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:935