ECLI:NL:RBAMS:2026:7460

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
C/13/776997
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1019bb RvArt. 1019cc Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tussentijds hoger beroep tegen deelgeschilbeschikking aansprakelijkheid KLM voor schade door behandelbeleid OCA

De zaak betreft een verzoek van eiser om tussentijds hoger beroep in te stellen tegen een deelgeschilbeschikking van 6 december 2018, waarin de rechtbank oordeelde dat KLM en de Politie niet aansprakelijk zijn voor de schade die eiser heeft geleden door het behandelbeleid van het OCA.

Eiser werkte sinds 1998 bij de Politie en kreeg in 2007 rugklachten. KLM was toen arbodienstverlener. Na een intensief revalidatieprogramma bij het OCA en een operatie in 2007, bleef eiser letsel houden. Een deskundige concludeerde dat het behandelbeleid van het OCA niet aan richtlijnen voldeed en waarschijnlijk heeft bijgedragen aan verergering van de hernia en het caudasyndroom.

KLM verzette zich tegen het verzoek om tussentijds hoger beroep, onder meer vanwege tijdigheid en petitum. De rechtbank oordeelde dat de deelgeschilbeschikking een beslissing over de materiële rechtsverhouding bevat en dat het verzoek tijdig en gegrond is. KLM kon geen concreet nadeel door het tijdsverloop aantonen.

De rechtbank verleent daarom verlof voor tussentijds hoger beroep, houdt verdere beslissing aan en verwijst de zaak naar de parkeerrol in afwachting van het hoger beroep.

Uitkomst: De rechtbank verleent toestemming voor tussentijds hoger beroep tegen de deelgeschilbeschikking en houdt verdere beslissing aan.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/776997 / HA ZA 25-1582
Vonnis van 1 juli 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. L.W. Versteegh-Leenstra,
tegen
KLM HEALTH SERVICES B.V.,
te Schiphol,
gedaagde partij,
hierna te noemen: KLM,
advocaat: mr. E.J.C. de Jong.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 19 september 2025 van [eiser] met producties 1 t/m 24,
- de conclusie van antwoord van KLM met producties 1 t/m 3,
- het tussenvonnis van 21 januari 2026, waarin mondelinge behandeling is bepaald,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 9 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] werkt sinds 1 september 1998 bij de Politie [plaats]. In juli 2007 kreeg zij rugklachten met uitstralende pijn naar haar linkerbil en meldde zich ziek, aanvankelijk volledig, later voor 50%. KLM was toen de arbodienst van de Politie.
2.2.
In augustus 2007 zag [eiser] de bedrijfsarts de heer [naam 1] (hierna: de bedrijfsarts), die haar belastbaarheid op 18 september 2007 bepaalde op 50% na neurologisch onderzoek. Daarnaast kwam [eiser] in september 2007 onder behandeling te staan van een neuroloog.
2.3.
[eiser] startte na doorverwijzing van de bedrijfsarts op 25 oktober 2007 een intensief revalidatieprogramma bij het OCA, gespecialiseerd in fysiotherapie en re-integratie. Ondanks zorgen over de intensiteit bleef zij het programma volgen, na overleg met de bedrijfsarts. Op 15 november bevestigde een MRI-scan een hernia. [eiser] werd vervolgens doorverwezen naar een neurochirurg. Zij bleef het OCA-programma volgen. De bedrijfsarts handhaafde haar belastbaarheid op 50%.
2.4.
Op 16 december 2007 kreeg [eiser] hevige pijn en op 18 december werd zij opgenomen in het ziekenhuis en geopereerd aan een partieel caudasyndroom. Het caudasyndroom heeft blijvend letsel aan haar rechtervoet en onderbeen veroorzaakt.
2.5.
In 2014 verzocht [eiser] bij de rechtbank een voorlopig deskundigenbericht te gelasten naar het handelen van het OCA. De door de rechtbank benoemde deskundige prof. dr. [naam 2], neurochirurg, concludeerde in 2016 dat het behandelbeleid van het OCA niet voldeed aan de geldende richtlijnen en zeer waarschijnlijk heeft bijgedragen aan verergering van de hernia en daarmee het ontstaan van het caudasyndroom, hoewel er geen hard wetenschappelijk bewijs is dat dit beleid ook daadwerkelijk de oorzaak is van de verergering van de hernia en daarmee het caudasyndroom.
2.6.
Het OCA is rond die tijd failliet verklaard.
2.7.
[eiser] heeft in 2018 in een deelgeschilprocedure bij deze rechtbank onder meer verzocht te bepalen dat KLM en de Politie aansprakelijk zijn voor de schade die zij heeft geleden en nog lijdt als gevolg van het behandelbeleid van het OCA. In een beschikking van 6 december 2018 heeft de rechtbank het verzoek van [eiser] afgewezen. [1]
2.8.
In 2024 heeft [eiser] bij de rechtbank Amsterdam een verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenonderzoek naar het handelen van de bedrijfsarts ingediend. Bij beschikking van 3 april 2025 is ook dit verzoek afgewezen. [2]
2.9.
[eiser] heeft inmiddels een schikking getroffen met de Politie.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat – dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
haar verlof verleent om tussentijds hoger beroep in te stellen tegen de deelgeschilbeschikking van de rechtbank Amsterdam van 6 december 2018;
KLM veroordeelt tot vergoeding van de schade die [eiser] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het handelen en/of nalaten van bedrijfsarts de bedrijfsarts, op te maken bij staat;
KLM veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat zij het niet eens is met de beschikking in de deelgeschilprocedure van 6 december 2018 en daarvan in hoger beroep wil komen. Volgens [eiser] is de bedrijfsarts toerekenbaar tekortgeschoten in de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst, zodat KLM als werkgever van de bedrijfsarts voor haar schade die daaruit voortvloeit aansprakelijk is.
3.3.
KLM voert verweer. Zij verzet zich in de eerste plaats tegen het verlenen van verlof voor tussentijds hoger beroep van de deelgeschilbeschikking. Volgens KLM wordt dit verzoek onredelijk laat gedaan, temeer omdat [eiser] al eerder heeft verzocht om tegen de beschikking van 6 december 2018 tussentijds hoger beroep te mogen instellen. In de tweede plaats heeft [eiser] in de onderhavige bodemprocedure een ander petitum gebruikt dan in het deelgeschil, waardoor het om een wezenlijk andere vordering gaat en tussentijds appel niet aan de orde kan zijn, aldus KLM. Verder betwist KLM dat vaststaat dat het OCA jegens [eiser] onzorgvuldig heeft gehandeld en dat daardoor het caudasyndroom is ontstaan. Tenslotte stelt KLM zich op het standpunt dat de bedrijfsarts jegens [eiser] niet onzorgvuldig gehandeld heeft en betwist zij het causale verband tussen het (vermeende) onzorgvuldig handelen en de schade van [eiser].
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Toetsingskader tussentijds hoger beroep in deelgeschil
4.1.
Bij de beoordeling van het verzoek om tussentijds hoger beroep open te stellen, stelt de rechtbank voorop dat tegen een beschikking in een deelgeschilprocedure volgens artikel 1019bb van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) in principe geen hoger beroep openstaat. De uitzondering daarop is neergelegd in artikel 1019cc Rv. In lid 1 staat dat beslissingen in een deelgeschilbeschikking over de materiële rechtsverhouding tussen partijen in de bodemprocedure dezelfde kracht hebben als bindende eindbeslissingen in een tussenvonnis. Lid 3 van dat artikel biedt vervolgens de mogelijkheid om tegen die beslissingen (tussentijds) hoger beroep in te stellen in de bodemprocedure, nadat de bodemrechter daarvoor verlof heeft verleend.
4.2.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 december 2021 geoordeeld dat de appeltermijn voor tussentijds hoger beroep aanvangt op de datum van het vonnis waarbij verlof voor dat hoger beroep wordt verleend. [3] De termijn vangt dus niet al aan op de datum van de beslissing waartegen het hoger beroep zich richt, wat eerder het uitgangspunt was in het belang van de goede procesorde.
4.3.
Omdat deelgeschilbeschikkingen met beslissingen over de materiële rechtsverhouding tussen partijen in een bodemprocedure de status krijgen van bindende eindbeslissingen in een tussenvonnis, zal de rechtbank voor de aanvang van de appeltermijn aansluiten bij deze jurisprudentie van de Hoge Raad. Dit betekent dat (in afwijking van het in artikel 1019cc lid 3, aanhef en onder a, Rv bepaalde aanvangsmoment van de appeltermijn) de termijn voor het instellen van hoger beroep tegen een deelgeschilbeschikking met een beslissing over de materiële rechtsverhouding pas begint te lopen nadat verlof voor tussentijds hoger beroep is verleend. Dat is ook in de lijn met de aard van de deelgeschilprocedure, te weten het vragen van een rechterlijke beslissing over een deel van het geschil om vastgelopen onderhandelingen te kunnen voortzetten. Als partijen bij een beslissing over de materiële rechtsverhouding binnen drie maanden na die beslissing (met verlof) in hoger beroep zouden moeten gaan om dat recht niet te verliezen, zou dat de vervolgonderhandelingen volledig kunnen overschaduwen.
Bij de beoordeling van het voorliggende verzoek om verlof te verlenen, moet dus in de eerste plaats worden vastgesteld of in de deelgeschilbeschikking van 6 december 2018 een beslissing over de materiële rechtsverhouding is genomen. In de tweede plaats moet de rechtbank beoordelen of het openstellen van tussentijds hoger beroep leidt tot een onredelijke vertraging van de procedure.
Het gaat om een beslissing over de materiële rechtsverhouding tussen [eiser] en KLM
4.4.
De eerste vraag die dus beantwoord moet worden is of de deelgeschilrechter een beslissing heeft genomen over de materiële rechtsverhouding. Zoals hiervoor overwogen is alleen dan hoger beroep mogelijk van de deelgeschilbeschikking. In de beschikking van 6 december 2018 is beslist dat KLM en de Politie niet aansprakelijk zijn voor de schade die [eiser] heeft geleden en nog lijdt als gevolg van het behandelbeleid van het OCA. Daarmee is een beslissing gegeven over de materiële rechtsverhouding tussen partijen, zoals bedoeld in artikel 1019cc lid 1 Rv.
4.5.
KLM heeft aangevoerd dat het petitum zoals dat nu voorligt wezenlijk anders is dan in het deelgeschil, wat tot gevolg heeft dat KLM inhoudelijk anders op de kwestie moet reageren en een tussentijds hoger beroep niet aan de orde kan zijn. De rechtbank volgt KLM daarin niet. Zowel in de deelgeschilprocedure als in de onderhavige procedure staat hetzelfde feitencomplex en dezelfde rechtsvraag centraal, namelijk: de gestelde schade van [eiser] als gevolg van het behandelbeleid van het OCA en de vraag of KLM daarvoor aansprakelijk kan worden gehouden. Dat in de bodemprocedure een ander, daarop voortbordurend, petitum is opgenomen, is logisch. Kenmerkend voor een deelgeschilprocedure is immers juist dat slechts een onderdeel van het geschil aan de rechter wordt voorgelegd. Dat vervolgens in de bodemprocedure andere of aanvullende vorderingen worden ingesteld, doet dus niet af aan het feit dat de beslissing in de deelgeschilbeschikking betrekking heeft op dezelfde materiële rechtsverhouding tussen partijen, zoals ook hier het geval is.
Het verzoek is tijdig gedaan
4.6.
De tweede vraag gaat over de tijdigheid. Door het hiervoor aangehaalde arrest van 17 december 2021 van de Hoge Raad moet voor de vraag of tussentijds hoger beroep op tijd is ingediend niet langer worden aangesloten bij de eerste roldag of de datum van de tussenbeslissing waartegen men op wil komen, maar bij de datum van het vonnis waarin de mogelijkheid van hoger beroep wordt opengesteld. Dat brengt mee dat het verzoek om hoger beroep open te stellen niet binnen drie maanden na de tussenbeslissing hoeft te worden gedaan, en in beginsel met de dagvaarding in deze zaak (van 19 december 2025) dus tijdig is gedaan.
4.7.
KLM heeft aangevoerd dat het verzoek onredelijk laat is gedaan. Hoewel de rechtbank onderkent dat tussen het verzoek tot openstellen van tussentijds appel en de deelgeschilbeschikking zeven jaar zit, en er dus een aanzienlijke periode is verstreken, leidt dit niet automatisch tot het oordeel dat het verzoek van [eiser] moet worden afgewezen. De begrenzing van het recht om tussentijds in hoger beroep te gaan wordt gevormd door de eisen van de goede procesorde. Voor de vraag of een verzoek
onredelijklaat is gedaan, is van belang of het openstellen van hoger beroep tot onredelijke vertraging van de procedure leidt en of KLM door het tijdsverloop tussen de beslissing en het verzoek in haar belangen is geschaad. KLM heeft in dit geval niet duidelijk gemaakt welke concrete nadelige gevolgen zij van het tijdsverloop heeft ondervonden of ondervindt. Daarnaar gevraagd heeft zij op de mondelinge behandeling verklaard dat het eigenlijk een andere zaak is met een ander petitum (waarin zij dus niet wordt gevolgd, zie hiervoor) en dat de Politie geen partij meer is. Op welke manier KLM in haar belangen wordt geschaad doordat de Politie nu geen partij meer is, heeft zij verder niet uitgelegd en is de rechtbank zonder toelichting ook niet duidelijk. Daarnaast heeft KLM gezegd dat bewijslevering buitengewoon lastig kan worden, maar zij heeft niet specifiek aangegeven of zij bijvoorbeeld door het tijdsverloop tot bepaalde bewijsstukken geen toegang meer heeft. Daarnaast is ook niet gebleken dat de voortgang van de procedure door het verzoek onredelijk wordt belemmerd, omdat de gehele procedure tussen partijen toch al geruime tijd is gestagneerd. Al met al vormen de eisen van de goede procesorde geen belemmering voor toewijzing van het verzoek.
4.8.
KLM heeft er tot slot op gewezen dat [eiser] al eerder een verzoek tot tussentijds openstellen van hoger beroep heeft gedaan. Vaststaat dat op dat eerdere verzoek uit 2024, waartegen KLM en de Politie zich toen overigens niet hebben verzet, destijds niet door de rechtbank is beslist. Het had op de weg van KLM gelegen om uit te leggen welke belangen van haar zijn geschaad door deze gang van zaken, maar dat heeft zij niet gedaan. Dit punt kan daarom ook niet bijdragen aan het argument dat het huidige verzoek onredelijk laat is ingediend.
Conclusie
4.9.
De rechtbank zal toestaan dat tussentijds hoger beroep wordt ingesteld tegen de deelgeschilbeschikking van 6 december 2018. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden en de zaak zal, in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep, worden verwezen naar de parkeerrol.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
staat hoger beroep toe van de op 6 december 2018 onder zaak-/rekestnummer C/13/647051 / HA RK 18-133 gegeven beschikking in de bij deze rechtbank gevoerde deelgeschilprocedure,
5.2.
verwijst de zaak in afwachting van de uitkomst van de procedure in hoger beroep naar de parkeerrol van woensdag
7 april 2027,
5.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.R. Jöbsis, rechter, bijgestaan door mr. S.D. Gerick, griffier en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.