ECLI:NL:RBAMS:2026:6784

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
13/403807-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Wegenverkeerswet 1994Art. 5a Wegenverkeerswet 1994Art. 175 Wegenverkeerswet 1994Art. 179 Wegenverkeerswet 1994Art. 9 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor roekeloos rijgedrag met dodelijk verkeersongeval in Amsterdam

Op 4 juli 2024 reed verdachte met een snelheid van 103 km/u waar 30 km/u was toegestaan op de Oostelijke Handelskade in Amsterdam. Hierdoor veroorzaakte hij een verkeersongeval waarbij een fietser, het slachtoffer, overleed. De rechtbank stelde vast dat verdachte de verkeersregels in ernstige mate heeft geschonden door zijn hoge snelheid en onvoldoende oplettendheid.

De rechtbank oordeelde dat het gedrag van verdachte roekeloos was, mede omdat hij zich bewust was van het gevaar en de verkeerssituatie ter plaatse kende. Verdachte erkende zijn schuld en betuigde spijt. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van acht maanden en een rijontzegging van drie jaar, terwijl de raadsman pleitte voor een taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank legde een taakstraf van 240 uur op, een ontzegging van de rijbevoegdheid voor drie jaar en een voorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd grotendeels niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing. Verdachte werd veroordeeld voor overtreding van artikel 6 WVW Pro 1994 met roekeloosheid en een dodelijk ongeval als gevolg.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 240 uur taakstraf, 3 jaar rijontzegging en 8 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf wegens roekeloos rijgedrag met dodelijk slachtoffer.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13.403807.24
Datum uitspraak: 2 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] 1996,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
18 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. J.J. Smilde, van wat verdachte en zijn raadsman, mr. D.A.W. Dekker naar voren hebben gebracht en van de verklaring en toelichting op de vordering benadeelde partij van nabestaande [benadeelde partij] .

2.Beschuldiging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 4 juli 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als
verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee
rijdende op de Oostelijke Handelskade, zich zodanig, te weten roekeloos, althans
zeer, in elk geval aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam,
heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft
plaatsgevonden,
waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood,
bestaande dat gedrag hieruit:
verdachte heeft met zijn auto gereden op de Oostelijke Handelskade, komende
vanaf de C. van Eesterenlaan en gaande in de richting van de Piet Heinkade,
verdachte heeft gereden met een aanzienlijke snelheid (van minimaal 90 km/uur)
waar de toegestane maximumsnelheid 30 km/uur betrof, in elk geval een snelheid
die veel te hoog was voor veilig verkeer ter plaatse, en/of
verdachte heeft zich er (vervolgens) niet, althans niet tijdig en/of voldoende, van
vergewist en/of is zich er niet, althans niet tijdig en/of voldoende, van blijven
vergewissen dat voornoemde weg vrij was van enig (kruisend) verkeer, en/of
verdachte heeft de snelheid van dat de hem bestuurde auto niet zodanig geregeld
dat hij in staat was dat deze tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij
de weg kon overzien en waarover deze vrij was, en/of
verdachte heeft [slachtoffer] niet (tijdig) opgemerkt die met zijn fiets de
Oostelijke Handelskade overstak en/of
verdachte is (vervolgens) tegen die [slachtoffer] aangereden en/of aangebotst,
ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] op of omstreeks 5 juli 2024 is
overleden;
(art 6 Wegenverkeerswet Pro 1994)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 4 juli 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als
verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee
rijdende op de Oostelijke Handelskade, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor
gevaar op die weg werd veroorzaakt,
bestaande dat gedrag hieruit:
verdachte heeft met zijn auto gereden op de Oostelijke Handelskade, komende
vanaf de C. van Eesterenlaan en gaande in de richting van de Piet Heinkade,
verdachte heeft gereden met een aanzienlijke snelheid (van minimaal 90 km/uur)
waar de toegestane maximumsnelheid 30 km/uur betrof, in elk geval een snelheid
die veel te hoog was voor veilig verkeer ter plaatse, en/of
verdachte heeft zich er (vervolgens) niet, althans niet tijdig en/of voldoende, van
vergewist en/of is zich er niet, althans niet tijdig en/of voldoende, van blijven
vergewissen dat voornoemde weg vrij was van enig (kruisend) verkeer, en/of
verdachte heeft de snelheid van dat de hem bestuurde auto niet zodanig geregeld
dat hij in staat was dat deze tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij
de weg kon overzien en waarover deze vrij was, en/of
verdachte heeft [slachtoffer] niet (tijdig) opgemerkt die met zijn fiets de
Oostelijke Handelskade overstak en/of
verdachte is (vervolgens) tegen die [slachtoffer] aangereden en/of aangebotst;
(art 5 Wegenverkeerswet Pro 1994)

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Bewijsvraag

4.1
Inleiding
In de avond van 4 juli 2024 is [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) op de Oostelijke Handelskade in Amsterdam aangereden door een auto terwijl hij op de fiets de weg over stak. [slachtoffer] is door die aanrijding overleden. Verdachte was de bestuurder van de auto. Hij reed kort voor de aanrijding met een maximumsnelheid van 103 km/u, terwijl de daar toegestane maximum snelheid 30 km/u is. Deze feiten blijken uit het dossier en ook de officier van justitie en de raadsman gaan hier vanuit.
De officier van justitie en de raadsman komen tot de conclusie dat de primair ten laste gelegde overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) kan worden bewezen. Er bestaat wel verschil van mening over de mate van schuld van verdachte.
Ook de rechtbank komt tot bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde overtreding van artikel 6 WVW Pro 1994. Gelet hierop zal de rechtbank het subsidiair ten laste gelegde verder onbesproken laten.
De rechtbank zal na deze inleiding eerst kort samengevat de standpunten van de officier van justitie en de raadsman weergeven. Daarna volgt het oordeel van de rechtbank. De rechtbank zal in het bijzonder ingaan op de ten laste gelegde mate van schuld.
4.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft onder verwijzing naar artikel 5a WVW 1994 geconcludeerd dat de overschrijding van de toegestane maximum snelheid door verdachte roekeloos rijgedrag oplevert en dat zijn schuld daarom bestaat uit roekeloosheid.
4.3
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft geconcludeerd dat kan worden bewezen dat de schuld van verdachte bestaat uit aanmerkelijk onvoorzichtig en/of aanmerkelijk onachtzaam rijgedrag, bestaande uit overschrijding van de toegestane maximum snelheid.
De raadsman heeft geconcludeerd dat niet kan worden bewezen dat de overschrijding van de toegestane maximum snelheid schuld bij verdachte oplevert, bestaande uit roekeloosheid, zeer onvoorzichtig en/of zeer onachtzaam rijgedrag en zeer dan wel aanmerkelijk onoplettend rijgedrag.
4.4
Oordeel van de rechtbank
Feiten en omstandigheden
Verdachte is op 4 juli 2024 rond 22:00 uur met de auto vertrokken om naar een restaurant te gaan. Hij had haast om de reservering om 22:15 uur te halen. Verdachte rijdt op de rijbaan (bestemd voor verkeer in beide richtingen) van de Oostelijke Handelskade in Amsterdam ter hoogte van winkelcentrum Brazilië in de richting van de Piet Heinkade, waar een maximum snelheid van 30 km/u is toegestaan. [slachtoffer] rijdt op zijn fiets op het fietspad aan de rechterkant (uitgaande van de rijrichting) van de Oostelijke Handelskade eveneens in de richting van de Piet Heinkade. Tussen de rijbaan en het fietspad zijn parkeerhavens waar auto’s geparkeerd staan.
[slachtoffer] kijkt twee keer over zijn schouder voordat hij afslaat om de rijbaan over te steken. Hij slaat linksaf op het kruispunt gevormd door de Oostelijke Handelskade en het Rietlandpark. Het betreft een afslag richting het Rietlandpark, die door middel van een in-/uitritconstructie is aangesloten op de Oostelijke Handelskade. Na de in-/uitritconstructie is er een voetgangersoversteekplaats aangebracht op een verkeersdrempel. Aan de rechterzijde van de weg is er een parkeergelegenheid afgezet door middel van drie palen. Tussen die drie palen steekt [slachtoffer] over. Als [slachtoffer] net voorbij het midden van de rijbaan fietst, botst verdachte met zijn auto tegen hem aan. De snelheid waarmee verdachte reed vanaf het moment dat [slachtoffer] net met zijn voorwiel op de rijbaan is tot het moment vlak voor de botsing is onderzocht. De gemiddelde snelheid blijkt 93 km/u te zijn. Vlak voor de botsing rijdt verdachte 103 km/u. Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] helemaal niet heeft gezien. [slachtoffer] is als gevolg van de botsing zwaar gewond en overlijdt ter plaatse aan zijn verwondingen.
Verkeersongeval door rijgedrag verdachte met overlijden [slachtoffer] als gevolg
De rechtbank is van oordeel dat op basis van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden is komen vast te staan dat door het rijgedrag van verdachte het verkeersongeval is veroorzaakt en dat [slachtoffer] daardoor is overleden.
Roekeloosheid
Voor de beoordeling van de schuldvormen is het volgende toetsingskader van belang.
Bij de beoordeling van de vraag of een verdachte schuld heeft aan een ongeval in de zin van artikel 6 WVW Pro 1994 komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het gaat daarbij om aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam verkeersgedrag waardoor het ongeval en de gevolgen daarvan zijn ontstaan. Dit brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van deze bepaling. Voorts verdient het opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. [1]
Om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994, zal de rechter zodanige feiten en omstandigheden moeten vaststellen dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. [2]
Met de ‘Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten’ heeft de wetgever het begrip roekeloosheid nader ingevuld en zo het toepassingsbereik ervan in de rechtspraak willen verbreden. Daartoe is in artikel 175 WVW Pro, dat de strafbepaling van artikel 6 WVW Pro bevat, aan het tweede lid toegevoegd dat van roekeloosheid in elk geval sprake is als het gedrag tevens als een overtreding van artikel 5a, eerste lid WVW kan worden aangemerkt. De rechtbank moet in het kader van laatstgenoemd artikel beoordelen of de verdachte door het vastgestelde verkeersgedrag dat heeft geleid tot het ongeval
de verkeersregels heeft geschonden,
of hij dat in ernstige mate heeft gedaan,
of hij dat opzettelijk heeft gedaan en
of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.
De rechtbank is van oordeel dat het gedrag van verdachte roekeloos was, nu het als een overtreding van artikel 5a, eerste lid, WVW 1994 kan worden aangemerkt, en licht dit als volgt toe.
a.
a) Geschonden verkeersregels
De rechtbank stelt vast dat verdachte de toegestane maximum snelheid van 30 km/u heeft overschreden.
b) In ernstige mate
De rechtbank is van oordeel dat verdachte met de overschrijding van de toegestane maximum snelheid in dit geval de verkeersregels in ernstige mate heeft geschonden. Verdachte heeft (gemiddeld) meer dan 60 km/u te hard gereden en kort voor de aanrijding zelfs 103 km/u. Hij deed dat op een weg waar hij zeer beperkt zicht had op overstekende zwakkere verkeersdeelnemers (fietsers en voetgangers) door geparkeerde auto’s tussen de rijbaan en het fietspad (en trottoir). Verder reed verdachte steeds harder terwijl hij een kruispunt en een zebrapad naderde. Dit alles speelde zich af in de zomer rond 22u ’s avonds, een tijdstip waarop rekening moet worden gehouden met overstekend verkeer. Daarbij is van belang dat een en ander zich afspeelde bij een winkelcentrum, waar extra rekening moet worden gehouden met kwetsbare verkeersdeelnemers en onverwacht verkeersgedrag. Ook de positie midden op de weg van verdachte vanwege zijn hoge snelheid en de geparkeerde auto’s acht de rechtbank van belang. Verdachte geeft daarmee aan zich bewust te zijn geweest van het gevaar van snelheid op die plek. Desondanks heeft hij ervoor gekozen veel te hard te rijden. Verdachte heeft na de aanrijding van het slachtoffer op het iets verderop gelegen zebrapad verderop op een haar na ook nog een andere fietser gemist. Dit terwijl hij al maximaal snelheid minderde vanwege de aanrijding met het slachtoffer. Verdachte kwam vervolgens na het zebrapad tot stilstand. Dat betekent volgens de rechtbank dat het niet anders kan, dan dat verdachte vanwege zijn hoge snelheid niet in staat kan zijn geweest om tijdig voor overstekend verkeer op het zebrapad te stoppen Gelet op het voornoemde komt de rechtbank tot de conclusie dat de snelheid van verdachte zodanig hoog is geweest dat hij niet op tijd voor enig ander verkeersdeelnemer zou kunnen stoppen. Dit terwijl hij reed op een weg die hij goed kende en waar juist extra voorzichtigheid geboden was. Door zich zo te gedragen, heeft verdachte de verkeersregels in ernstige mate geschonden.
c) Opzettelijk
Het (voorwaardelijk) opzet van een verdachte moet zowel gericht zijn geweest op het schenden van de verkeersregels als op het in ernstige mate schenden van die regels. Bij het antwoord op de vraag of sprake was van opzet op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels moeten de aard en het samenstel van gedragingen, de omstandigheden waaronder deze werden verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen.
Verdachte heeft verklaard dat hij te hard reed om op tijd te zijn voor een gemaakte reservering in een restaurant. Verder heeft hij verklaard dat hij bekend was met de verkeerssituatie ter plekke. De rechtbank is van oordeel dat verdachte aldus opzet heeft gehad op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels, zoals hiervoor omschreven.
d) Gevaar te duchten
Naar algemene ervaringsregels acht de rechtbank het voorzienbaar dat er een zeer gevaarlijke situatie ontstaat door het hiervoor beschreven verkeersgedrag van verdachte onder de hiervoor genoemde omstandigheden. Dit gevaar heeft zich ook verwezenlijkt.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, bewezen dat verdachte
op 4 juli 2024 te Amsterdam, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende op de Oostelijke Handelskade, zich zodanig, te weten roekeloos, heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,
waardoor [slachtoffer] werd gedood,
bestaande dat gedrag hieruit:
verdachte heeft met zijn auto gereden op de Oostelijke Handelskade, komende
vanaf de C. van Eesterenlaan en gaande in de richting van de Piet Heinkade,
verdachte heeft gereden met een aanzienlijke snelheid (van minimaal 90 km/uur)
waar de toegestane maximumsnelheid 30 km/uur betrof, in elk geval een snelheid
die veel te hoog was voor veilig verkeer ter plaatse, en
verdachte heeft zich er (vervolgens) niet van vergewist dat voornoemde weg vrij was van enig (kruisend) verkeer, en
verdachte heeft de snelheid van de door hem bestuurde auto niet zodanig geregeld
dat hij in staat was deze tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij
de weg kon overzien en waarover deze vrij was, en
verdachte heeft [slachtoffer] niet (tijdig) opgemerkt die met zijn fiets de
Oostelijke Handelskade overstak en
verdachte is (vervolgens) tegen die [slachtoffer] aangereden en/of aangebotst,
ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] op of omstreeks 5 juli 2024 is
overleden;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

7.1
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (hierna: OBM) voor een periode van drie jaar.
De officier van justitie heeft bij het bepalen van zijn strafeis aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor strafoplegging voor de rechtbanken en gerechtshoven voor overtreding van artikel 6 WVW Pro 1994 met een dodelijk slachtoffer en een zeer hoge mate van schuld bij de verdachte. Verder heeft de officier van justitie een afweging gemaakt tussen de strafdoelen algemene preventie, boetedoening en maatschappelijke heling.
7.2
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft de rechtbank verzocht verdachte een taakstraf (van maximale duur) en eventueel een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Wat betreft de oplegging van een OBM heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De raadsman heeft de rechtbank verzocht in matigende zin rekening te houden met de bekennende proceshouding van verdachte, zijn oprechte spijtbetuiging, het nemen van verantwoordelijkheid, de omstandigheid dat hij onlangs vader is geworden, psychische problematiek bij verdachte en het tijdsverloop sinds het feit.
Voor het geval de rechtbank voornemens zou zijn verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, heeft de raadsman de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om alsnog een – in aanloop naar de zitting door de raadsman al aangevraagde – reclasseringsrapportage over verdachte te laten opmaken.
7.3
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
Aard en ernst feit
Verdachte heeft een verkeersongeval veroorzaakt door roekeloos te rijden als gevolg waarvan [slachtoffer] is overleden. Hij heeft hierdoor op abrupte wijze het leven van [slachtoffer] beëindigd. Ook heeft hij groot leed toegebracht aan de nabestaanden. Partner [benadeelde partij] heeft zijn leed op indringende wijze via het spreekrecht naar voren gebracht ter terechtzitting. Op de openbare weg moeten de verkeersdeelnemers zich veilig kunnen verplaatsen. Verdachte heeft niet de verantwoordelijkheid genomen die van een bestuurder verwacht mag worden, met afschuwelijke gevolgen.
Persoonlijke omstandigheden
Verdachte heeft zichzelf, geconfronteerd met zijn rijgedrag, ter terechtzitting een
‘fucking mongool’genoemd. Hij heeft spijt betuigd en verantwoordelijkheid genomen voor wat hij heeft gedaan. Hij heeft verklaard sinds het ongeval niet meer met de auto te hebben gereden en dit ook niet meer te willen. Hij gaat lopend naar zijn werk bij de gemeente. Verdachte is verder onlangs vader geworden.
Het strafblad van verdachte bevat naar het oordeel van de rechtbank geen relevante veroordelingen die (strafverzwarend) meewegen.
Oriëntatiepunten voor strafoplegging
In de oriëntatiepunten voor strafoplegging voor de rechtbanken en gerechtshoven is geen afzonderlijk oriëntatiepunt opgenomen voor overtreding van artikel 6 WVW Pro 1994, waarbij sprake is van roekeloosheid en een dodelijk slachtoffer. Die oriëntatiepunten zijn er wel voor de schuldvorm die net onder roekeloosheid ligt en in de oriëntatiepunten een zeer hoge mate van schuld wordt genoemd. Die oriëntatiepunten vermelden een gevangenisstraf van acht maanden en een OBM van drie jaar als uitgangspunt.
Slotsom; strafoplegging
Oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals ook gevorderd door de officier van justitie, ligt gelet op de oriëntatiepunten in beginsel in de rede. De rechtbank acht dat in dit geval echter niet passend en geboden en licht dit als volgt toe.
Verdachte is strafrechtelijk verantwoordelijk voor de dood van [slachtoffer] door zijn roekeloze gedrag. Verdachte heeft dit erkend en is naar de indruk van de rechtbank oprecht in zijn zelfreflectie, zijn spijtbetuiging en hij is zich bewust van wat hij heeft aangericht. Verdachte zal moeten leven met de zware last iemands dood te hebben veroorzaakt, terwijl hij dit niet heeft gewild.
In het licht van het voorgaande zou oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf naar het oordeel van de rechtbank niet passend zijn. De rechtbank zal verdachte wel een taakstraf van 240 uur opleggen en een voorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden. Met de voorwaardelijke gevangenisstraf beoogt de rechtbank verdachte de nodige maatregelen te laten nemen om te voorkomen dat hij opnieuw strafbare feiten pleegt. Hierbij merkt de rechtbank op dat verdachte de wens heeft geuit behandeling voor impuls- en emotieregulatie en omgaan met sociale prikkels voort te zetten.
De rechtbank zal ook een OBM voor drie jaar opleggen. Gelet op het roekeloze rijgedrag van verdachte is die maatregel passend en geboden.
Nu de rechtbank geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf oplegt, hoeft de rechtbank niet te beslissen op het voorwaardelijk verzoek van de raadsman alsnog een reclasseringsrapportage over verdachte op te laten stellen.

8.Vordering benadeelde partij

8.1
Vordering
[benadeelde partij] heeft zich als partner van [slachtoffer] gevoegd in het strafproces om schadevergoeding te vorderen van verdachte. Hij heeft € 100, - en € 1.000, - materiële schadevergoeding verzocht voor respectievelijk schade aan de jas en fiets van [slachtoffer]. Verder heeft hij € 6.201,33 materiële schadevergoeding verzocht voor verlies aan eigen inkomsten door het overlijden van [slachtoffer]. Hij heeft tevens vermeerdering met de wettelijke rente verzocht.
Ook heeft hij vergoeding gevraagd van proceskosten, te weten de accountantskosten die hij heeft gemaakt in verband met de berekening van zijn verlies aan inkomsten door de accountant.
8.2
Standpunt van de raadsman van verdachte
De raadsman van verdachte heeft de rechtbank primair verzocht [benadeelde partij] niet ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, omdat niet dan wel onvoldoende is gebleken dat hij als levensgezel van [slachtoffer] in de zin van artikel 6:108 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) kan worden aangemerkt.
Subsidiair heeft de raadsman van verdachte de rechtbank verzocht [benadeelde partij] niet ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, omdat er onvoldoende informatie beschikbaar is over door de verzekering toegekende schadevergoeding, waarvoor verdachte aansprakelijk is gesteld. Er kan niet worden gecontroleerd of de in het strafproces verzochte gestelde schade al in het verzekeringstraject is/wordt afgehandeld, aldus de raadsman.
Meer subsidiair heeft de raadsman van verdachte de rechtbank verzocht [benadeelde partij] niet ontvankelijk te verklaren in zijn vordering ten aanzien van de gevraagde schadevergoeding vanwege verlies aan eigen inkomsten. Ingevolge artikel 6:108 BW Pro kan een nabestaande uitsluitend schadevergoeding vragen vanwege weggevallen inkomsten van de overledene, aldus de raadsman.
8.3.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel dient te worden toegewezen. Daarbij heeft hij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
8.4
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat voldoende is gebleken dat [benadeelde partij] als levensgezel van [slachtoffer] in de zin van artikel 6:108 BW Pro kan worden aangemerkt. Het primaire verweer van de raadsman van verdachte slaagt dus niet.
De rechtbank stelt vast dat de vordering wordt betwist.
Wat betreft de gevorderde vergoeding van schade aan de jas en fiets van [slachtoffer] stelt de rechtbank vervolgens vast dat de vordering voor dat deel niet is onderbouwd met stukken. Aanhouding van de zaak om [benadeelde partij] in de gelegenheid te stellen deze schadeposten te onderbouwen, zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank zal [benadeelde partij] dan ook niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering ten aanzien van deze schadeposten.
De rechtbank zal [benadeelde partij] ook niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering voor zover die ziet op gederfde eigen inkomsten ten gevolge van het overlijden van [slachtoffer]. Hoewel voorstelbaar en goed mogelijk is dat [benadeelde partij] in de dagen na het overlijden van zijn partner niet heeft kunnen werken, heeft de rechtbank aan de hand van de overgelegde accountsverklaring onvoldoende vast kunnen stellen dat sprake is van een rechtstreeks verband in juridische zin tussen de gestelde gederfde eigen inkomsten en het bewezen verklaarde feit.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank [benadeelde partij] eveneens niet-ontvankelijk verklaren in de gevorderde proceskosten en geen schadevergoedingsmaatregel opleggen, zoals gevorderd door de officier van justitie.
[benadeelde partij] kan zijn vordering desgewenst nog bij de civiele rechter aanbrengen.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van
240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van
120 (honderdtwintig) dagen.
Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van
3 (drie) jaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van
8 (acht) maanden.
Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij een proeftijd van
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Verklaart [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. D. Bode, voorzitter,
mrs. J. Thomas en A.L. op ‘t Hoog, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juli 2026.

Voetnoten

1.HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822.
2.HR 16 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1656