ECLI:NL:RBAMS:2026:6777

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
C/13/789103 / HA RK 26-213
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 39 lid 5 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen kantonrechter wegens niet-aanhouding zaak

Verzoeker heeft op 3 juni 2026 een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. B. Brokkaar, kantonrechter te Amsterdam, omdat deze de zaak niet wilde aanhouden in afwachting van een beslissing op een voorlopig getuigenverhoor. De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld op grond van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waarbij de onpartijdigheid van de rechter centraal staat.

De kamer overwoog dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn en dat een rechterlijke beslissing zelf nooit een grond voor wraking kan vormen. Het verzoek bevatte geen feiten of omstandigheden die een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid van de rechter jegens verzoeker rechtvaardigen.

Daarom werd het wrakingsverzoek als kennelijk ongegrond afgewezen. De procedure met zaaknummer 12112489 / EA VERZ 26-220 wordt hervat in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing is geen voorziening mogelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kantonrechter wordt afgewezen en de procedure wordt hervat.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Beslissing van 11 juni 2026 op het op 3 juni 2026 gedane en onder zaaknummer
C/13/789103 HA/RK 26/213 ingeschreven verzoek van:
[verzoeker],wonende te [woonplaats],
verzoeker,
gemachtigde: mr. J.N.A. Dijkman,
welk verzoek strekt tot wraking van mr. B. Brokkaar, kantonrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

1.1. De procedure

De wrakingskamer heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 juni 2026 waarin is opgenomen dat verzoeker de rechter wraakt;
  • de aantekeningen van de griffier van die mondelinge behandeling.
De rechter heeft de Wrakingskamer bericht dat zij niet berust in de wraking.

2.De feiten

Verzoeker is de verwerende partij in een zaak die bij de rechter in behandeling is (zaaknummer / rekestnummer 12112489 / EA VERZ 26-220). Google Netherlands B.V. is in die zaak de verzoekende partij.
In deze procedure heeft op 3 juni 2026 een mondelinge behandeling plaatsgevonden.
Van die mondelinge behandeling is een (verkort) proces-verbaal opgemaakt. Hierin staat onder meer:
De kantonrechter wijst, gehoord partijen, het verzoek van de gemachtigde van [verzoeker] tot aanhouding van de zaak af. De gemachtigde deelt daarop mee dat hij de kantonrechter dan moet wraken.
Na een korte schorsing vraagt de kantonrechter of het klopt dat de wrakingsgrond is: “U wilt de behandeling van deze zaak niet aanhouden in afwachting van de beslissing van uw collega kantonrechter op het verzoekschrift tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor, welke beslissing is bepaald op 23 juni 2026”. De gemachtigde verklaart
zich daarmee akkoord.

3.Het verzoek en de gronden daarvan

Het wrakingsverzoek is gebaseerd op de grond dat de rechter de zaak niet wil aanhouden.

4.4. De gronden van de beslissing

4.1
Op grond van het bepaalde in artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient in een wrakingsprocedure te worden onderzocht of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn.
4.2
Het verzoek tot wraking is gegrond op de beslissing van de rechter om de zaak niet aan te houden. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel (zie het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). Het onderhavige verzoek bevat geen feiten of omstandigheden waaruit (de objectief gerechtvaardigde vrees van) vooringenomenheid van de rechter jegens verzoeker zou kunnen blijken.
4.3 Het verzoek tot wraking is dus kennelijk ongegrond en zal worden afgewezen. Een mondelinge behandeling kan achterwege blijven.
BESLISSING
De rechtbank:
  • wijst het verzoek tot wraking af;
  • bepaalt dat de procedure met zaaknummer / rekestnummer 12112489 / EA VERZ 26-220 wordt hervat in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de indiening van het wrakingsverzoek.
Aldus gegeven door mrs. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, en P.B. Martens en
I.M. Bilderbeek, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 juni 2026.
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39 lid 5 Rv Pro geen voorziening open.