ECLI:NL:RBAMS:2026:6675

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
13-105253-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 3 EVRMArt. 12 OverleveringswetArt. 22 OverleveringswetArt. 27 Overleveringswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak Executie Europees Aanhoudingsbevel Letland met verzoek om aanvullende detentiegaranties

De rechtbank Amsterdam behandelde op 17 juni 2026 een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Letland voor de overlevering van een persoon ter uitvoering van een resterende gevangenisstraf van ruim twee jaar. De zaak betreft ernstige feiten die in Letland zijn bestraft met een lange vrijheidsstraf. De rechtbank constateerde dat het proces in hoger beroep definitief is afgedaan en dat de opgeëiste persoon correct is gehoord.

De rechtbank onderzocht de detentieomstandigheden in Letland, waarbij zij het algemeen reële gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling door het informele kastenstelsel in Letse gevangenissen herbevestigde. Hoewel de Letse autoriteiten garanties en maatregelen hebben verstrekt, achtte de rechtbank deze onvoldoende concreet en specifiek om het individuele gevaar voor de opgeëiste persoon weg te nemen. De verstrekte informatie richt zich vooral op het voorkomen van geweld, maar onvoldoende op de vernederende aspecten van het kastenstelsel.

Daarom verzoekt de rechtbank de officier van justitie om aanvullende vragen te stellen aan de Letse autoriteiten over de vermoedelijke plaatsing van de opgeëiste persoon, de concrete maatregelen tegen het kastenstelsel en de mogelijke overplaatsing naar andere detentie-inrichtingen. De rechtbank schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd en verlengt de beslistermijn met 30 dagen tot 6 augustus 2026, met verlenging van de overleveringsdetentie. De zaak wordt uiterlijk op 23 juli 2026 opnieuw op zitting gepland.

Uitkomst: Onderzoek naar overlevering wordt geschorst vanwege onvoldoende concrete detentiegaranties tegen het kastenstelsel in Letse gevangenissen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-105253-26
Datum uitspraak: 17 juni 2026
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 24 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 21 juni 2024 door
the Prosecutor General's Office of the Republic of Latvia, Letland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon]
geboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] (Letland)
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 3 juni 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Letse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Letse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the Riga District Court of 13 April 2015en een arrest van
the Riga Regional Court Criminal Cases Division of 27 January 2016 (entered into legal force on 13 June 2016), reference: No. 11353011114.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van elf jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog twee jaren, acht maanden en één dag. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4] Uit het EAB en de aanvullende informatie van 19 mei 2026 volgt dat er een procedure in hoger beroep heeft plaatsgevonden waar de zaak ten gronde definitief is afgedaan en waartegen geen gewoon rechtsmiddel openstaat. De rechtbank zal daarom het proces in hoger beroep toetsen aan artikel 12 OLW Pro, te weten het arrest van 27 januari 2016.
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot het arrest heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is daarom niet aan de orde.
De opgeëiste persoon is bij beslissing van
the Zemgale District Court van4 augustus 2022 voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Bij beslissing van
the Riga District Courtvan 13 december 2023 is die voorwaardelijke invrijheidsstelling herroepen.
Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 [5] volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW Pro. Blijkens voornoemde aanvullende informatie is de voorwaardelijke invrijheidsstelling niet herroepen wegens een veroordeling voor een nieuw strafbaar feit, maar omdat de opgeëiste persoon de gestelde voorwaarden heeft overtreden.
De beslissing van 13 december 2023 is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW Pro. [6] Nu de herroeping niet het gevolg is geweest van een veroordeling voor een nieuw strafbaar feit, hoeft de rechtbank geen andere beslissing aan artikel 12 OLW Pro te toetsen dan de veroordeling waarbij de vrijheidsstraf definitief is opgelegd.

5.Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
moord en doodslag, zware mishandeling.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

6.Artikel 11 OLW Pro: Letse detentieomstandigheden

Inleiding
In andere zaken die zagen op Letse EAB’s heeft de rechtbank geoordeeld, onder meer in haar uitspraken van 21 februari 2024 [7] en 19 september 2024 [8] , dat sprake is van een algemeen reëel gevaar dat gedetineerden in Letland aan een onmenselijke of vernederende behandeling zullen worden blootgesteld. Het algemeen gevaar ziet met name op het bestaan van een informele hiërarchie onder gedetineerden (het ‘kastenstelsel’) in de Letse gevangenissen, met geweld tegen, en een vernederende behandeling van, gedetineerden in de lagere kasten als gevolg.
The European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment(hierna: CPT) heeft op 26 februari 2025 een wederom zeer kritisch rapport uitgebracht over Letland naar aanleiding van het bezoek dat van 24 tot 31 mei 2024 heeft plaatsgevonden. [9] Zoals de rechtbank eerder heeft geoordeeld geeft dit rapport geen aanleiding om anders te oordelen over het eerder vastgestelde reële gevaar van schending van artikel 4 Handvest Pro van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) voor gedetineerden in Letland. [10]
De Letse autoriteiten (
The Department of Imprisonment Institutions) hebben bij brief van 11 mei 2026 onder meer het volgende geantwoord op de door het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) gestelde vragen:
" (...) The Administration would like to inform that in case of [de opgeëiste persoon] 's extradition to the Republic of Latvia, [de opgeëiste persoon] will initially be placed in the Remand (Investigation) Prison Section of the Liepāja Prison. His placement will then be determined in accordance with the criteria set forth in the regulatory enactments specified below in this letter, as well as taking into account the location of the person directing the proceedings. (...)
(...) The newly built Liepāja Prison ensures that sentences are served as effectively as possible and in a manner that safeguards public safety; in particular, the specially planned, designed, and implemented infrastructure allows for the supervision of imprisoned persons to be carried out with fewer staff resources. In Liepāja Prison, the imprisoned persons are placed in individual cells rather than dormitory-style rooms. The advantage of new technologies provide a significant boost in the areas of supervision, security, and safety, thereby allowing the staff to focus much more on rehabilitation and safety measures, reducing the commission of new criminal offences, and onwards in daily operations placing greater emphasis on putting effort to change the behaviour of an imprisoned person and to eliminate informal hierarchies.
It is not possible to provide every imprisoned person with a single-occupancy cell, but in the event of a threat, the relevant person is immediately transferred to a single- occupancy cell, small-capacity cell, or to another cell; however, if the threat is very serious, the relevant person may also be transferred to another prison. (…)
Section 95 of the Constitution of the Republic of Latvia (Satversme), inter alia, provides that the State shall protect human honour and dignity, and that torture or other cruel or degrading treatment of human beings is prohibited. Torture, inhuman and degrading treatment are also prohibited under Article 3 of the European Convention on Human Rights.
The administration, officials and employees of the places of imprisonment in the Republic of Latvia comply with both national and international laws and regulations. The staff of the places of imprisonment in the Republic of Latvia treat the prisoners humanely and do not subject them to any other difficulties or restrictions other than those arising from the purpose of imprisonment and the necessary and inevitable consequences of imprisonment. In particular, when executing any type of criminal sentence, including also a restraint measure - arrest, certain guarantees are provided in the places of imprisonment in the Republic of Latvia against torture and inhuman or degrading treatment of imprisoned persons. The purpose of execution of a sentence is not to cause physical suffering or to degrade human dignity.
The Administration hereby informs that on 11 January 2024, the European Court of Human Rights delivered its judgment in the case "D. vs Latvia", concluding that there had been a violation of the rights guaranteed in Article 3 (prohibition of torture and inhuman treatment) of the European Convention for the Protection of Human Rights and Fundamental Freedoms. The Court considered that the public authorities had not acted sufficiently to eliminate the informal hierarchy of prisoners that exists in places of imprisonment. Therefore, the Ministry of Justice developed and on 8 October 2024 the Cabinet of Ministers supported (namely - No. 41, § 33) the informative report "On actions to reduce the informal hierarchy of prisoners in places of imprisonment". This report describes the significant improvements in enforcement of imprisonment that have already been made since the events described in the said judgment ( during the time-frame from 2008 until 2017) and includes a comprehensive action plan for the implementation of judgments, identifying the current situation in places of deprivation of liberty, the measures needed to implement judgments, including measures to address the issues of inadequate infrastructure in places of imprisonment, to increase the number and capacity of prison staff and to fill vacancies, and to improve the resocialisation system.
The action plan included in the report summarizes the measures both already implemented and still to be implemented in the following areas:1.measures to improve the capacity of Prisons Administration staff(a new Training Center building has been opened, new training programs have been introduced, measures have been taken to increase staff numbers and improve their remuneration, steps have been taken to expand the pool of eligible candidates for service, etc.);2.further development of the prisoner resocialization system(in accordance with the government's previously established Resocialization Policy Development Guidelines for 2022- 2027);3.measures to improve the infrastructure of places of imprisonment(opening of the new Liepaja Prison and subsequent closure of several prisons, reconstruction of the Valmiera Prison block, renovations in already existing prisons, etc.);4. measures to improve the training of judges.This set of measures will reduce the display of informal hierarchy among prisoners in places of imprisonment. (...)
In summary, the uninterrupted 24-hour monitoring system combines video surveillance, regular inspections by staff and prompt actions to effectively prevent violence and to ensure the protection from inhuman or degrading treatment. (…)
Ath the new Liepāja Prison, the cells that are imprisoned persons’ living space have been designed in accordance with modern security and human rights standards, and one of the most significant technological features is the intercom system installed in these cells. (…) The intercom system in each cell allows prisoners to contact an officer on duty at the relevant post at any time. (…)" .
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de gegeven detentiegarantie zeer algemeen van aard is en het vastgestelde algemene gevaar niet wegneemt voor de opgeëiste persoon. Ook is niet duidelijk of de opgeëiste persoon na zijn initiële verblijf in Liepāja niet zal worden overgeplaatst naar een andere detentie-instelling. Daarnaast is het niet duidelijk wat de persoonlijke leefruimte zal zijn en of die voldoet aan de minimum normen. Nu de verstrekte detentiegarantie het algemeen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in detentie in Letland voor de opgeëiste persoon niet wegneemt bestaat een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon. De raadsvrouw verzoekt daarom de behandeling van de zaak aan te houden om nadere vragen te stellen over de detentieomstandigheden.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat dat de detentiegarantie volstaat. Omdat de verdachte hoogstwaarschijnlijk in Liepāja wordt ondergebracht, moeten de omstandigheden in die instelling worden getoetst. Uit de aanvullende informatie van de Letse autoriteiten blijkt dat diverse maatregelen zijn genomen om vernederende en onmenselijke behandeling te voorkomen. De opgeëiste persoon wordt geplaatst in een nieuwe detentie-instelling met verschillende (technologische) voorzieningen gericht op het wegnemen van het algemeen gevaar.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank moet beoordelen of er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na overlevering aan Letland het eerder vastgestelde algemene gevaar zal lopen en dus of er ook een individueel gevaar bestaat dat opgeëiste persoon aan een onmenselijke of vernederende behandeling zal worden blootgesteld. Omdat de voormelde detentiegarantie niet afkomstig is van, noch goedgekeurd is door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit, dient de rechtbank de geboden zekerheid van de garantie te toetsen aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt. [11]
De rechtbank overweegt voorts dat zij gelet op het arrest ML van het Hof van Justitie van de Europese Unie uitsluitend de detentieomstandigheden dient te onderzoeken in de penitentiaire inrichting(en) waar de opgeëiste persoon, volgens de informatie waarover zij beschikt, naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd, mede op tijdelijke of voorlopige basis. [12]
In de aanvullende informatie van 8 mei 2026 wordt het volgende vermeld: “
The Administration would like to inform that in case of [de opgeëiste persoon] 's extradition to the Republic of Latvia, [de opgeëiste persoon] will initially be placed in the Remand (Investigation) Prison Section of the Liepāja Prison.”. Vervolgens wordt informatie verstrekt over de verschillende regels die gelden voor de plaatsing van een gedetineerde in een bepaalde instelling. Als gevolg hiervan is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende duidelijk is of de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid in
Liepāja Prisonwordt geplaats als de overlevering wordt toegestaan of dat dit slechts een korte tijdelijke plaatsing betreft in afwachting van een definitieve plaatsing in een andere instelling. De rechtbank acht daarbij van belang dat in de aangehaalde zin wordt gesproken over de ‘
Remand (Investigation) Prison Section’terwijl de overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een reeds opgelegde gevangenisstraf.
Met de raadsvrouw acht de rechtbank verder de verstrekte aanvullende informatie, gelet op het vastgestelde algemeen gevaar ten aanzien van het kastenstelsel te algemeen geformuleerd en onvoldoende concreet om het vastgestelde algemeen gevaar van blootstelling aan een onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon weg te nemen. In het bijzonder blijkt uit de verstrekte informatie niet welke concrete effecten de genomen algemene maatregelen hebben op de nadelige gevolgen van het kastenstelsel. Veel van de genomen maatregelen lijken bovendien met name gericht te zijn tegen het geweld dat voortkomt uit het kastenstelsel. De maatregelen zien niet, althans onvoldoende op andere nadelige gevolgen van het kastenstelsel, zoals het vernederende aspect. De rechtbank wijst in dat verband in het bijzonder naar de paragrafen 45 tot en met 60 uit het laatste CPT-rapport van 26 februari 2025, [13] waarin onder meer wordt omschreven dat gedetineerden uit de laagste kaste (de
levyje)gebruik dienen te maken van aparte sanitaire faciliteiten, aan aparte tafels dienen te eten, in aparte zalen moeten sporten, of op andere tijdstippen dan de hogere kasten, en pas als laatste naar de winkel mogen gaan. Verder worden
levyjeingezet om urenlang de wacht te houden bij een slaapzaal om medegedetineerden te waarschuwen voor aanlopend gevangenispersoneel, dat de
levyjeslechts het onderhouds- en schoonmaakwerk kunnen doen en worden uitgesloten van andersoortig werk, en dat de
levyjeook worden geacht de cellen van gedetineerden uit de hoge kaste schoon te maken en voor hen de was te doen. Dit maakt dat sommige
levyjezich voelden als “kakkerlakken die zich moesten aanpassen om te overleven”. De rechtbank beschikt over onvoldoende informatie om vast te kunnen stellen dat ook deze nadelige aspecten van het kastenstelsel voor de opgeëiste persoon zijn weggenomen.
In verband met het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om aanvullende vragen te stellen over de detentieomstandigheden. De rechtbank verzoekt dan ook de officier van justitie om de volgende aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:
A. In de aanvullende informatie van 8 mei 2026 wordt het volgende vermeld: “
The Administration would like to inform that in case of [de opgeëiste persoon] 's extradition to the Republic of Latvia, [de opgeëiste persoon] will initially be placed in the Remand (Investigation) Prison Section of the Liepāja Prison.” Zal de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid in
Liepāja Prisonworden geplaatst als de overlevering wordt toegestaan of is dit slechts een korte, tijdelijke plaatsing in afwachting van plaatsing in een andere instelling?
B. Als de opgeëiste persoon gedetineerd zal verblijven in Liepāja Prison, welke concrete maatregelen zullen ten aanzien van de opgeëiste persoon worden genomen om te voorkomen dat de opgeëiste persoon feitelijk wordt blootgesteld aan
inter-prisoner violenceen andere nadelige gevolgen van het kastenstelsel, zoals het vernederende aspect?
C. Indien de opgeëiste persoon na een korte, tijdelijke plaatsing in
Liepāja Prisonnaar een andere detentie-instelling wordt overgeplaatst, om welke instelling zal het dan gaan? En welke concrete maatregelen zullen in die instelling worden genomen ten aanzien van de opgeëiste persoon om te voorkomen dat hij feitelijk wordt blootgesteld aan
inter-prisoner violenceen andere nadelige gevolgen van het kastenstelsel, zoals het vernederende aspect
De rechtbank zal het onderzoek heropenen en schorsen voor onbepaalde tijd. De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen loopt na de verlenging ter zitting af op 7 juli 2026. Nu de rechtbank, gezien het voorgaande, een verlenging nodig heeft om op het verzoek tot
overlevering te beslissen, zal zij op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW de beslistermijn verlengen met 30 dagen (tot 6 augustus 2026), onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.

7.Beslissing

HEROPENT en SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd om het IRC in de gelegenheid te stellen de onder 6 geformuleerde aanvullende vragen te stellen aan de Letse autoriteiten;
VERLENGTde termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met 30 dagen (eindigend op 6 augustus 2026), onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW;
BEPAALTdat de zaak vanwege het verstrijken van de verlengde beslistermijn op 6 augustus 2026, uiterlijk op 23 juli 2026 opnieuw op zitting moet worden gepland;
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Letse taal tegen voornoemd tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.M. de Bie, voorzitter
mrs. E. de Rooij en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. D.F.A. Reuvekamp en B.C.M. Burger, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 17 juni 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (
5.HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (
6.HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)), punt 53.
9.Report to the Latvian Government on the visit to Latvia carried out by the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) from 22 to 31 May 2024, 26 February 2025.
10.Zie o.a. Rb Amsterdam 18 maart 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:2909.
11.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak ML, (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589).
12.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak ML (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589).
13.Zie ook de uitspraak van de rechtbank van 17 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3442.