Beoordeling door de rechtbank
14. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in bijlage 1 bij deze uitspraak.
15. Voor zover eisers beroepsgronden hebben aangevoerd over de vergunningduur overweegt de rechtbank als volgt. De toegewezen vergunningen zijn als gevolg van de uitspraak van de Afdeling van 25 september 2024 omgezet van bepaalde tijd naar onbepaalde tijd. De rechtbank is van oordeel dat het procesbelang van eisers op dit punt vervalt. Dit onderdeel wordt daarom niet besproken.
Vergunningenplafond (volumebeleid)
16. De Afdeling heeft in de uitspraak van 25 september 2024 een oordeel gegeven over de rechtmatigheid van de Beleidsregels omzettingen passagiersvaart. Daarbij heeft de Afdeling de Vob en de Rob, dat de juridische grondslag van het volumebeleid vormt, in stand gelaten. Het college heeft ook de voorliggende aanvragen van eisers beoordeeld op grond van de Vob en de Rob.
17. Het college stelt zich op het standpunt dat, nu de Vob en de Rob door de Afdeling niet onverbindend zijn verklaard, het college voor uitgifteronde 2024 de Vob en de Rob aan de besluitvorming onverkort ten grondslag mocht leggen. Het college stelt zich onder verwijzing naar uitspraken van de Afdeling van 23 november 2022op het standpunt dat het college het recht moet toepassen zoals dat gold ten tijde van de aanvraag voor zover deze niet onverbindend zijn verklaard. Daarnaast heeft de Afdeling expliciet overwogen dat het college een vergunningenplafond en een volumebeleid mag voeren en daarvoor nadere regels mag opstellen.
18. Eisers stellen dat de Afdeling heeft geoordeeld dat het gehanteerde volumebeleid in strijd is met de Dienstenrichtlijn en heeft bepaald dat het college beleidsregels niet ten grondslag mocht leggen aan de omzettingsbesluiten. De beleidsregels zijn onlosmakelijk verbonden met de Vob en de Rob waardoor die regelgeving en de daarop gebaseerde besluiten geen stand kunnen houden.
Het oordeel van de rechtbank
19. De Afdeling heeft in de uitspraak van 25 september 2024 geoordeeld dat de Beleidsregels omzetting vergunning passagiersvaart in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel. Het college mocht, aldus de Afdeling, deze beleidsregels daarom niet ten grondslag leggen aan de omzettingsbesluiten. De Afdeling heeft geoordeeld dat er weliswaar een dwingende reden van algemeen belang bestaat om een volumebeleid in te stellen maar dat de genomen maatregelen niet geschikt en noodzakelijk zijn ter bescherming van de gestelde dwingende reden van algemeen belang (en vlotte en veilige doorvaart en een eerlijke verdeling van de beschikbare ruimte). Het gehanteerde volumebeleid is daarom in strijd met de Dienstenrichtlijn.
20. De rechtbank overweegt dat de uitspraak van de Afdeling van 25 september 2024 zag op een andere situatie dan hier aan de orde is. In de procedure bij de Afdeling ging het om de omzetting van vergunningen van onbepaalde tijd naar vergunningen voor bepaalde tijd. De Beleidsregels omzetting vergunning passagiersvaart bepaalden de volgorde waarop de exploitatievergunningen zouden aflopen. Deze beleidsregels hebben geen betrekking op nieuw uit te geven exploitatievergunningen die onder het nieuwe volumebeleid zoals geregeld in de Rob vallen.In de onderhavige procedure gaat het om nieuw uit te geven vergunningen voor bepaalde tijd. Uit de uitspraak van de Afdeling kan dan ook niet per definitie worden afgeleid dat de onderhavige besluiten geen stand kunnen houden. Het betreft een andere besluitvorming die zelfstandig getoetst moet worden aan de Dienstenrichtlijn. De Afdeling heeft niet bepaald dat het college geen volumebeleid mag voeren. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat de bepalingen uit de Vob en de Rob die gaan over het volumebeleid, anders dan eisers vinden, niet onverbindend zijn. Ook verklaart de rechtbank de bepalingen daarom niet buiten toepassing.
21. In de onderhavige uitgifteronde 2024 heeft het college het aantal te verlenen vergunningen gemaximeerd op 155, verdeeld over een aantal segmenten. Dit is neergelegd in de artikelen 3.1.2 en 3.2.1. van de Rob. Nu het aantal te verlenen vergunningen is begrensd, moet het college toelichten hoe deze begrenzing zich verhoudt tot de Dienstenrichtlijn. Dit geldt ook voor de segmentindeling, omdat elk segment afzonderlijk eveneens is gemaximeerd. Het college dient dus te motiveren waarom er voor het gekozen plafond van 155 vergunningen een dwingende reden van algemeen belang is en waarom dit plafond geschikt en noodzakelijk is ter bescherming van die dwingende reden.
22. De rechtbank constateert dat het college zich voor deze motivering baseert op dezelfde uitgangspunten als bij de besluiten die voorlagen in de uitspraak van de Afdeling van 25 september 2024. In die zin volgt de rechtbank daarom de overwegingen van de Afdeling dat onvoldoende is onderbouwd dat de begrenzing en de gekozen systematiek geschikt, noodzakelijk en evenredig is ter verwezenlijking van de nagestreefde dwingende redenen van algemeen belang en dat het stelsel coherent en systematisch bijdraagt aan die doelen.
23. De rechtbank is van oordeel dat in het nu voorliggende bestreden besluit een dergelijke motivering ontbreekt. Het college heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom juist het gekozen maximumaantal vergunningen noodzakelijk is, noch hoe dit aantal zich verhoudt tot minder beperkende alternatieven. Evenmin is gemotiveerd waarom de gehanteerde segmentindeling een geschikt en noodzakelijk instrument is om de gestelde doelen te bereiken en waarom deze indeling niet leidt tot een ongerechtvaardigde of onevenredige beperking van de toegang tot de markt.
24. Voor zover het college wijst op de uitspraak van de Afdeling van 17 december 2025, is de rechtbank van oordeel dat deze uitspraak ziet op andere regelgeving dan hier aan de orde is. In die zaak gold een afzonderlijke bepalingwaarin een voorbehoud was opgenomen voor het geval de toenmalige wijzigingen van de exploitatievergunningen in het segment bemand groot van onbepaalde naar bepaalde tijd in rechte geen stand houden. In dat geval had het college het recht om vergunningen in te trekken om te voorkomen dat er meer dan het beoogde aantal vaartuigen met vergunning zou mogen varen. Een dergelijk(e) bepaling of voorbehoud is hier niet aan de orde.
25.
Eisers voeren, kort samengevat, aan dat het Welstandsbeleid Passagiersvaart Amsterdam 2019 (het Welstandsbeleid) niet voldoet aan de daaraan op grond van de Dienstenrichtlijn te stellen eisen. De welstandscriteria zoals opgenomen in de Welstandsnota en verbonden aan de vergunningen van eisers zijn in strijd met de Dienstenrichtlijn.
26. Het college voert aan dat het doel van het Welstandsbeleid is om uitsluitend vergunningen te verlenen voor passagiersvaartuigen die qua beeld passen bij de uitstraling van de Amsterdamse grachten. De Amsterdamse grachten hebben een grote cultuurhistorische waarde en zijn een trekpleister voor bezoekers. Ze hebben een status als beschermd stadsgezicht en een UNESCO Werelderfgoed-status. Dit alles stelt hoge eisen aan de ruimtelijke kwaliteit van de gehele binnenstad van Amsterdam. Het college vindt het dan ook belangrijk dat de passagiersvaartuigen, die nadrukkelijk aanwezig zijn in de Amsterdamse binnenstad, passen binnen deze historisch waardevolle omgeving, de ruimtelijke context en de kenmerken van de Amsterdamse binnenstad.
27. De rechtbank overweegt als volgt. Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat een beperking in de vrijheid van dienstverlening slechts toelaatbaar is indien de beperking een doel van algemeen belang nastreeft, geschikt is om de verwezenlijking daarvan te waarborgen en niet verder gaat dan noodzakelijk is om het gestelde doel te bereiken.
28. De rechtbank stelt vast dat in het Welstandsbeleid verschillende criteria per segment zijn uitgewerkt. De welstandscriteria zijn dus niet uniform voor alle exploitanten, maar worden gedifferentieerd toegepast afhankelijk van het segment waarin een vaartuig is ingedeeld. Die segmenten hangen samen met factoren als type vaartuig, gebruiksdoel en vaargebied. Voor sommige type vaartuigen worden extra eisen gesteld bovenop hetgeen in algemeen wordt voorgeschreven.
29. De rechtbank stelt verder vast dat het college in de aan de vergunning verbonden welstandseisen nadrukkelijk heeft gedifferentieerd naar de te onderscheiden segmenten. Daarmee zijn deze welstandseisen onlosmakelijk verbonden met het volumebeleid en de daarbij gehanteerde segmentindeling. Toegang tot een segment voor de loting is in de praktijk slechts mogelijk indien het vaartuig voldoet aan de bij dat segment behorende welstandseisen. Nu de rechtbank van oordeel is dat het college bij het hanteren van het volumebeleid onvoldoende heeft gemotiveerd dat de segmentindeling in overeenstemming is met de Dienstenrichtlijn, ontbreekt daarmee tevens een toereikende rechtvaardiging voor de daaraan gekoppelde welstandseisen. Dat het college met de welstandseisen mede beoogt het uiterlijk aanzien van vaartuigen en het stadsbeeld te beschermen, maakt dit niet anders. Zolang het volumebeleid en de segmentindeling niet voldoen aan de eisen van de Dienstenrichtlijn, kunnen daarop gebaseerde welstandseisen evenmin in stand blijven.
Rechtstreekse beroepen
30. De zaken met zaaknummers 23/2726, 23/2728, 23/3080 en 23/3083 betreffen de wijzigingsbesluiten inzake vervangende vaartuigen, waarbij de namen van deze vaartuigen zijn gewijzigd en daarbij voorschriften zijn opgenomen. De beroepsgronden in deze verschillende zaken zijn daarbij gelijkluidend als in de zaak 21/5679. Nu het bestreden besluit in die zaak niet in stand kan blijven, geldt dit oordeel ook voor de wijzigingsbesluiten die daarmee verband houden. Het college dient daarom de betreffende aanvragen opnieuw te beoordelen.
Vergunningen van andere reders
31. Eisers zijn tot slot in beroep opgekomen tegen de niet-ontvankelijk verklaring van hun bezwaren tegen de vergunningverlening aan andere reders. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 25 september 2024geoordeeld dat reders bij hun bezwaar tegen aan derden verleende vergunningen wel rechtstreeks belang hebben. Dat betekent dat eisers, anders dan het college betoogt, belanghebbende zijn bij de vergunningverlening aan andere reders. Het college heeft dus eisers ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in hun bezwaren gericht tegen vergunningen verleend aan andere reders.
32. Voor zover eisers overige gronden aanvoeren ziet de rechtbank geen aanleiding om deze te beoordelen omdat het beroep gelet op het bovenstaande gegrond is.