ECLI:NL:RVS:2022:3409
Raad van State
- Hoger beroep
- C.J. Borman
- N. Verheij
- P.H.A. Knol
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing exploitatievergunning passagiersvaart Amsterdam wegens onjuiste toepassing regelgeving
In deze zaak heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de aanvraag van een eenmanszaak voor een exploitatievergunning voor passagiersvaart met meerdere bedrijfsvaartuigen afgewezen vanwege een vergunningstop die op 13 juni 2017 was ingesteld. De aanvrager had zijn aanvraag op 8 juni 2017 ingediend, vóór de vergunningstop. Na diverse procedures vernietigde de rechtbank het besluit en gaf de Raad van State het college opdracht het besluit opnieuw te nemen met toepassing van de juiste regelgeving.
Het college stelde bij het nieuwe besluit de aanvraag opnieuw af te wijzen, ditmaal op grond van de Verordening op het binnenwater 2010 (Vob) en de Regeling Passagiersvaart Amsterdam 2013 (RPA 2013). De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat het college ook het GWT-Reglement had moeten betrekken in de beoordeling, voor zover dit reglement niet onverbindend was verklaard. Omdat het college dit naliet, werd het besluit vernietigd.
Desondanks liet de Afdeling de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand, omdat het college terecht had geoordeeld dat de aanvraag te laat was ingediend volgens het GWT-Reglement en dat de afwijzing niet leidde tot een onevenredige belangenbelemmering. De Afdeling benadrukte dat de vergunningen slechts voorwaardelijk waren en dat de aanvrager geen gerechtvaardigd vertrouwen kon hebben op verlening. De zaak is daarmee definitief beslecht.
Het college werd tevens veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan de aanvrager.
Uitkomst: Het besluit van het college tot afwijzing van de aanvraag voor een exploitatievergunning wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.